De stomme duivel

Jezus gaf ten antwoord: ‘O ongelovig geslacht, hoe lang moet Ik nog bij u zijn, hoe lang nog u verdragen? Brengt de jongen bij Mij.’ Ze brachten hem naar Hem, maar zodra de geest Hem zag, liet hij de jongen stuipen krijgen; deze viel neer en rolde over de grond met het schuim op de lippen.

Toen zij weer bij de leerlingen kwamen, zagen zij een grote menigte om hen heen staan, waaronder ook schriftgeleerden die met hen redetwistten. Zodra al die mensen Hem opmerkten, waren ze verrast en liepen Hem tegemoet om Hem te begroeten. Hij vroeg hun: ‘Waarom twist ge met hen?’ Een uit de menigte gaf Hem ten antwoord: ‘Meester, ik heb mijn zoon naar U toe gebracht omdat hij in de macht is van een stomme geest. En waar deze hem overweldigt, werpt hij hem tegen de grond, en de jongen krijgt het schuim op de lippen, knarsetandt en wordt helemaal stijf. Nu heb ik uw leerlingen gevraagd hem uit te drijven, maar die hadden er de kracht niet toe.’ Jezus gaf ten antwoord: ‘O ongelovig geslacht, hoe lang moet Ik nog bij u zijn, hoe lang nog u verdragen? Brengt de jongen bij Mij.’ Ze brachten hem bij Hem, maar zodra de geest Hem zag, liet hij de jongen stuipen krijgen; deze viel neer en rolde over de grond met het schuim op de lippen. Jezus vroeg aan de vader:

‘Hoe lang heeft hij dit al?’ Deze antwoordde: ‘Vanaf zijn kinderjaren. Hij heeft hem ook dikwijls in het vuur en in het water geworpen om hem te doden. Maar als Gij iets kunt doen, heb dan medelijden en help ons.’ Jezus antwoordde hem: ‘Wat dat kunnen betreft: alles kan voor wie gelooft.’ Ogenblikkelijk riep de vader van de jongen uit: ‘Ik geloof, kom mijn ongeloof te hulp!’ Toen Jezus zag dat de mensen te hoop liepen, gebood hij op strenge toon aan de onreine geest: ‘Stomme en dove geest, Ik gelast je, ga uit hem weg en kom nooit meer in hem terug.’ Onder geschreeuw en hevige stuiptrekkingen ging hij uit hem weg; de jongen zag eruit als een lijk, zodat de meesten dachten dat hij dood was. Maar Jezus vatte hem bij de hand en richtte hem op; en hij kwam overeind. Toen Hij thuis was gekomen en zijn leerlingen met Hem alleen waren, vroegen zij: ‘Waarom hebben wij hem niet kunnen uitdrijven?’ Hij antwoordde hun: ‘Dit soort kan door niets anders uitgedreven worden dan door bidden en vasten.’ (Mc 9,14-29)

“Wij hoeven ons niet van God te verwijderen als wij onze broosheid ontdekken. Wij moeten onze zwakheden bestrijden, juist omdat God vertrouwen in ons heeft. Hoe zullen we onze armzaligheid te boven komen? Ik hamer hierop vanwege het kapitaal belang ervan: de nederigheid en oprechtheid in de geestelijke leiding en in het sacrament van de biecht. Ga met een open hart naar hen die uw ziel richting geven. Sluit het niet af, want als de duivel der stomheid eenmaal binnen is, jaagt u hem er niet gemakkelijk weer uit.

Neem mij mijn voortdurend aandringen niet kwalijk, maar ik acht het absoluut noodzakelijk, dat in uw verstand gegrift wordt, dat de nederigheid en – het onmiddellijk gevolg ervan – de oprechtheid een werkzaam fundament vormen voor de overwinning. Als de stomme duivel zich in een ziel nestelt, tast hij alles aan. Als hij er daarentegen direct uitgewerkt wordt, komt alles goed, zijn we gelukkig en leiden we een rechtschapen leven. Laten we altijd ‘op woeste wijze’ oprecht zijn, maar niet onwelvoeglijk.

Laat ik het duidelijk zeggen: ik maak me meer zorgen over de hoogmoed dan over het hart en het vlees. Nederigheid. Als u denkt volstrekt gelijk te hebben, hebt u volstrekt ongelijk. Ga ontvankelijk naar uw geestelijk leidsman: sluit uw ziel niet af, want – ik herhaal – dan sluit u de stomme duivel op en krijgt u hem er niet meer uit.

[...] Vertel eerst wat u verborgen wilt houden. Eruit met de duivel der stomheid! Soms maakt u van een kleine kwestie, door deze om en om te keren, een enorme bol, zoals een sneeuwbal, en wij sluiten onszelf erin op. Waarom? Open uw ziel! Ik verzeker u het geluk, dus de trouw aan de christelijke weg, mits u oprecht bent. Duidelijkheid, eenvoud: het zijn onontbeerlijke gesteltenissen. Onze ziel moet wagenwijd opengezet worden zodat de zon van God en het licht van de Liefde binnen kunnen schijnen.

Er hoeft niet altijd een troebel motief ten grondslag te liggen aan onoprechtheid. Soms is een dwaling van het geweten voldoende. Sommige mensen hebben hun geweten op een dusdanige wijze gevormd –misvormd – dat hun stomheid, hun gebrek aan eenvoud, hun een juiste zaak lijkt: zij denken dat het goed is te zwijgen. Dat gebeurt ook met mensen die uitstekend toegerust zijn, die bekend zijn met de zaken van God; misschien vinden zij daarin redenen aan zwijgen de voorkeur te geven. Daarin hebben zij het mis. Oprechtheid is altijd een noodzaak; hier gelden geen excuses, hoe goed ze ook lijken.”

Vrienden van God, 187-189