Eerste glorievolle geheim

Jezus verrijst uit de doden
Maar op de eerste dag van de week gingen ze ’s morgens heel vroeg naar het graf, met de kruiden die ze hadden klaargemaakt. Ze vonden de steen weggerold van het graf.

Jezus verrijst uit de doden

Maar op de eerste dag van de week gingen ze ’s morgens heel vroeg naar het graf, met de kruiden die ze hadden klaargemaakt. Ze vonden de steen weggerold van het graf en gingen naar binnen, maar vonden er het lichaam van de Heer Jezus niet. Ze wisten niet wat ze ervan moesten denken. Opeens stonden er twee mannen voor hen in stralend witte kleren. Daar schrokken ze van en ze sloegen hun ogen neer, maar zij zeiden: ‘Waarom zoekt u de levende bij de doden? Hij is niet hier, Hij is tot leven gewekt. Vergeet niet wat Hij u destijds in Galilea heeft gezegd: De Mensenzoon moet overgeleverd worden in handen van zondaars, gekruisigd worden en op de derde dag weer opstaan.’ Toen herinnerden ze zich zijn woorden. Ze keerden van het graf terug naar huis en vertelden dat alles aan de elf en aan alle anderen. Het waren Maria van Magdala, Johanna en Maria van Jakobus en de overige vrouwen die bij hen waren. Ze vertelden het dus aan de apostelen, maar in hun ogen was het onzin wat de vrouwen zeiden, en ze geloofden hen niet. Toch holde Petrus naar het graf, en toen hij er een blik in wierp zag hij alleen de linnen doeken. Hij ging terug naar huis, verbaasd over wat er gebeurd was.

Juist op die dag waren twee van hen op weg naar het dorp Emmaüs, dat zestig stadiën van Jeruzalem ligt. Ze spraken met elkaar over alles wat voorgevallen was. Terwijl ze met elkaar in discussie waren, voegde Jezus zelf zich bij hen en liep met hen mee. Maar hun ogen waren niet bij machte Hem te herkennen. Hij sprak tot hen: ‘Waarover lopen jullie zo druk met elkaar te praten?’ Met sombere gezichten bleven ze staan. Een van hen, die Kleopas heette, gaf Hem ten antwoord: ‘Bent U dan de enige inwoner van Jeruzalem die niet weet wat daar de afgelopen dagen is gebeurd?’‘Wat dan?’ vroeg Hij. Ze zeiden Hem: ‘Wat er gebeurd is met Jezus van Nazaret. Hij was een profeet, machtig in woord en daad in de ogen van God en van heel het volk. Onze hogepriesters en leiders hebben Hem overgeleverd om Hem ter dood te laten veroordelen, en ze hebben Hem zelfs gekruisigd. En wij hadden zo gehoopt dat Hij het was die Israël zou verlossen, maar het is al de derde dag sinds dat gebeurd is. Wel hebben enkele vrouwen uit onze kring ons versteld doen staan. Die waren vanmorgen vroeg naar het graf gegaan en toen ze zijn lichaam daar niet aantroffen, kwamen ze terug met het verhaal dat ze ook nog een verschijning hadden gehad van engelen die zeiden dat Hij leeft. Een paar van ons zijn toen naar het graf gegaan en het bleek zo te zijn als de vrouwen gezegd hadden, maar Hem hebben ze niet gezien.’

Lucas 24,1-24,

Toen de sabbat voorbij was, kochten Maria Magdalena, Maria de moeder van Jakobus, en Salome welriekende kruiden om het dode lichaam van Jezus te gaan balsemen. - De volgende dag, heel vroeg, als de zon juist op is, komen ze bij het graf (Mc. 16, 1-2). Naar binnen gaand, raken ze hevig ontsteld, want ze vinden het lichaam van de Heer niet. - Een jongeman, in wit gewaad gekleed, zegt hun: Weest niet bevreesd. Ik weet dat gij Jezus van Nazaret zoekt: non est hic, surrexit enim sicut dixit, - Hij is niet hier, want Hij is verrezen zoals Hij gezegd heeft (Mt. 28,5).

Hij is verrezen! - Jezus is verrezen. Hij is niet in het graf. - Het Leven heeft de dood overwonnen.

Hij verscheen aan zijn allerheiligste Moeder. - Hij verscheen aan Maria Magdalena, die dwaas van liefde is. - En aan Petrus en de overige apostelen. - En aan jou en aan mij, die zijn leerlingen zijn en dwazer dan Magdalena: wat hebben wij Hem niet allemaal gezegd!

Mogen wij nooit door de zonde sterven; moge onze geestelijke verrijzenis eeuwig duren. - En voor dit tientje af is, heb jij de wonden van zijn voeten gekust..., en ik, die meer durf - omdat ik meer kind ben - heb mijn lippen gedrukt op zijn open zijde.

De heilige Rozenkrans, eerste glorievolle geheim

De dag van de triomf van de Heer - zijn verrijzenis - is de definitieve overwinning. Waar zijn de soldaten die de overheid op wacht had gezet, waar zijn de zegels die zij op de steen voor het graf had aangebracht? Waar zijn degenen die de Meester veroordeeld hebben? Waar zijn degenen die Jezus gekruisigd hebben...? Bij het zien van zijn overwinning volgt de grote vlucht van deze beklagenswaardige mensen.

Christus overwint altijd. Wees dus vol hoop.

De Smidse, 660

Instaurare omnia in Christo (Ef. 1, 10), dat is het parool van de heilige Paulus aan de Efeziërs. De hele wereld met de geest van Jezus doordringen, Christus in het middelpunt van alle dingen plaatsen. Si exaltatus fuero a terra, omnia traham ad meipsum (Joh. 12, 32): als Ik boven de aarde verheven ben, zal Ik alles tot Mij trekken. Door zijn menswording en zijn leven van arbeid in Nazaret, door zijn prediking en zijn wonderen in de streken van Judea en Galilea, door zijn dood aan het kruis en zijn verrijzenis is Christus het middelpunt van de schepping, de Eerstgeborene en de Heer van alle schepselen.

Onze taak als christen is, deze heerschappij van Christus door onze woorden en werken te verkondigen. De Heer wil de zijnen op alle kruispunten van de aarde hebben. Sommigen roept Hij naar de eenzaamheid, opdat ze verre blijven van de drukte van de wereld en zo voor de andere mensen getuigenis afleggen dat God bestaat. Anderen vertrouwt Hij het priesterambt toe. De meesten wil Hij midden in de wereld en in de aardse dingen hebben. Daarom moeten deze christenen Christus overal uitdragen waar mensen werken: in de fabrieken, het laboratorium en de werkplaats, op het veld, in de drukke straten van de grote stad en op de eenzame bergpaden.

Hier denk ik graag aan het gesprek van Jezus met de leerlingen van Emmaüs. Christus is onderweg met deze twee mensen die bijna alle hoop verloren hebben en wier leven zinloos dreigt te worden. Hij begrijpt hun smart, dringt binnen in hun hart en laat hen deelnemen aan het leven dat in Hem woont.

Als ze het dorp bereiken, doet Jezus alsof Hij verder wil gaan. De beide leerlingen houden Hem tegen en dringen aan om te blijven. Dan herkennen ze Hem bij het breken van het brood. De Heer was bij ons, roepen ze uit. En ze zeiden tot elkaar: brandde ons hart niet in ons, toen Hij onderweg met ons sprak en ons de Schrift verklaarde? (Lc. 24, 32). Iedere christen moet Christus onder de mensen tegenwoordig stellen. Hij moet zo handelen, dat zijn medemensen de bonus odor Christi (vgl. 2 Kor. 2, 15), de goede geur van Christus bespeuren; dat door de werken van de leerling het gelaat van de Meester schijnt.

Als Christus nu langs komt, 105