Moeders, tegengif voor individualisme en egoïsme

“Waar de moeder is, is er tederheid. En Maria toont ons met Haar moederschap dat nederigheid en tederheid geen zwakke maar sterke deugden zijn.” Homilie van paus Franciscus op het hoogfeest van Maria, Moeder Gods.

Van de paus
Opus Dei - Moeders, tegengif voor individualisme en egoïsme

1. "Maria bewaarde al deze woorden in haar hart en overwoog ze bij zichzelf" (Lc. 2, 19).

Zo beschrijft Lucas de houding waarmee Maria alles opneemt wat zij die dagen meemaakte. Verre van te willen begrijpen of de situatie onder controle te hebben, is Maria de vrouw die kan bewaren, dat wil zeggen behoeden, die de doortocht van God in het leven van Zijn volk in Haar hart kan bewaren. Vanuit Haar schoot, leerde Zij luisteren naar de hartslag van Haar Zoon en dat heeft Haar voor heel het leven geleerd, Gods hartslag in de geschiedenis te ontdekken. Zij heeft geleerd moeder te zijn en in deze leerschool heeft Zij aan Jezus de mooie ervaring gegeven zich Zoon te weten. In Maria is het eeuwige Woord niet alleen vlees geworden, maar heeft Het geleerd Gods moederlijke tederheid te herkennen. Met Maria heeft het Goddelijk Kind geleerd te luisteren naar de verzuchtingen, angsten, vreugden en hoop van het volk van de belofte. Met Haar heeft het zichzelf ontdekt als een Zoon van het heilige volk van Gods getrouwen.

2. Maria verschijnt in de Evangelies als een vrouw die weinig spreekt, geen grote toespraken geeft, en zich niet op de voorgrond plaatst, maar met aandachtige blik naar het leven en de zending van Haar Zoon weet te kijken en dus naar alles waar Hij van houdt. Zij wist naar de dageraad van de eerste Christengemeenschap te kijken en heeft zo geleerd moeder van een menigte te zijn. Zij heeft de meest verscheiden situaties meegemaakt om hoop te zaaien. Zij heeft het kruis vergezeld dat in de stilte van het hart door Haar kinderen gedragen werd. Veel devotie, veel heiligdommen en kapellen op de meest afgelegen plaatsen, veel afbeeldingen in de huizen, herinneren ons aan deze grote waarheid. Maria heeft ons moederlijke warmte gegeven, die ons bij moeilijkheden omhult; moederlijke warmte, zodat niets of niemand de revolutie van de tederheid kan uitdoven waarmee Haar Zoon in de schoot van de Kerk begonnen is. Waar de moeder is, is er tederheid. En Maria toont ons met Haar moederschap dat nederigheid en tederheid geen zwakke maar sterke deugden zijn, Zij leert ons dat het niet nodig is anderen slecht te behandelen om zelf belangrijk te zijn.[1] Het heilig volk van Gods getrouwen heeft Haar altijd erkend en geëerd als de Heilige Moeder van God.

3. Dat Maria’s moederschap als Moeder van God en onze moeder gevierd wordt bij het begin van een nieuw jaar, herinnert aan een zekerheid in onze dagen: wij zijn een volk met een Moeder, wij zijn geen weeskinderen.

Moeders zijn het sterkste tegengif voor onze individualistische en egoïstische neigingen, voor onze geslotenheid en apathie. Een samenleving zonder moeders, zou niet alleen een kille samenleving zijn, maar een samenleving die haar hart en ‘de smaak voor het gezin’ verloren heeft. Een samenleving zonder moeders zou een meedogenloze samenleving zijn, die alleen plaats laat aan berekening en theoretische beschouwingen. Omdat moeders zelfs op de moeilijkste ogenblikken weten te getuigen van tederheid, onvoorwaardelijke zelfgave en de kracht van de hoop. Ik heb veel geleerd van moeders in de gevangenis of bedlegerig in een ziekenhuis of verslaafd aan drugs, in kou of hitte, bij regen of droogte, en kinderen hebben en toch niet capituleren en blijven vechten om hen het beste te geven. Oh, die moeders die er in vluchtelingenkampen of zelfs in volle oorlog in slagen zich over het leed van hun kinderen te ontfermen en ze te steunen, zonder op te geven. Moeders die letterlijk hun leven geven opdat geen van hun kinderen verloren zou gaan. Waar de moeder is, is er eenheid, is er een band, een band als kind.

4. Het jaar inzetten met de herinnering aan Gods goedheid op het moederlijk gelaat van Maria, op het moederlijk gelaat van de Kerk, op het gelaat van onze moeder, behoedt ons tegen de invretende ziekte ons een geestelijk weeskind te voelen, wat de ziel ervaart wanneer zij zich zonder moeder voelt, zonder de tederheid van God. Deze toestand ervaren wij wanneer het besef uitdooft tot een gezin, een volk, een land, tot onze God te behoren. Deze toestand als wees die huist in een narcistisch hart dat alleen naar zichzelf en zijn eigen belangen kijkt, en neemt toe wanneer wij vergeten dat het leven een gave is – en daarin zijn wij de schuldenaar van anderen – een leven waarvan ons gevraagd wordt het in dit gemeenschappelijk huis te delen.

Deze verweesdheid die zichzelf als referentie neemt, bracht Kaïn ertoe te zeggen: “ben ik de hoeder van mijn broeder?” (Gen. 4, 9), alsof hij wil zeggen: hij hoort niet bij mij, ik ken hem niet. Deze houding van een geestelijk weeskind is een kanker die afmat en de ziel stilletjes verzwakt. En zo verlagen wij geleidelijk onszelf, van zodra niemand ons toebehoort en wij niemand toebehoren; ik verlaag de aarde, omdat ze mij niet toebehoort, ik verlaag de anderen omdat zij mij niet toebehoren, ik verlaag God omdat ik Hem niet toebehoor en tenslotte verlagen wij onszelf omdat wij vergeten wie we zijn, welke Goddelijke naam wij dragen. Het verlies van de banden die ons verenigen en het gevoel van een grote leegte en eenzaamheid, typisch voor onze gefragmenteerde en verdeelde cultuur, maakt dat het gevoel een weeskind te zijn, toeneemt. Gebrek aan fysisch contact (niet aan virtueel contact) brandt ons hart geleidelijk uit[2] en ontneemt het de capaciteit van tederheid en verwondering, erbarmen en medelijden. Zich een geestelijk weeskind voelen, doet ons vergeten wat het betekent kind te zijn, kleinkind, ouder, grootouder, vriend, gelovige; het doet ons de waarde vergeten van spel, zang, een glimlach, rust, belangeloosheid.

5. Het hoogfeest vieren van de Heilige Moeder van God, tovert opnieuw een glimlach op ons gelaat omdat we ons een volk voelen, omdat we voelen dat wij elkaar toebehoren. Alleen in een gemeenschap, in een gezin kunnen mensen het klimaat, de warmte vinden die hen als mens laat groeien; wij zijn geen gewone objecten, uitgenodigd om te consumeren en geconsumeerd te worden. Het hoogfeest vieren van de Heilige Moeder van God herinnert ons eraan dat wij geen ruilwaar of informatiekanalen zijn. Wij zijn kinderen, een familie, het volk van God.

De Heilige Moeder van God vieren, zet ons aan gemeenschappelijke ruimtes te scheppen en in stand te houden die ons een gevoel van samenhorigheid geven, van inplanting, van ons thuis te voelen in onze steden en gemeenschappen die ons verenigen en ondersteunen.[3]

6. Op het ogenblik van de grootste gave van Zijn leven, op het kruis, heeft Jezus niets voor zichzelf willen houden en toen Hij Zijn leven gaf, gaf Hij ons ook Zijn Moeder. Hij zegt tot Maria: ziedaar Uw zoon, ziedaar Uw kinderen. En wij willen Haar opnemen in ons huis, in ons gezin, onze gemeenschap, ons dorp. Wij willen Haar moederlijke blik kruisen. Deze blik die verhindert dat wij ons een weeskind voelen; de blik die ons herinnert dat wij broeders zijn: dat ik u toebehoor, dat gij mij toebehoort, dat wij van hetzelfde vlees zijn. De blik die ons leert dat wij zorg moeten leren dragen voor het leven zoals en met dezelfde tederheid als Zij: door hoop, samenhorigheid te zaaien en broederlijkheid te zaaien.

De Heilige Moeder van God vieren herinnert ons eraan dat wij de Moeder hebben; wij zijn geen weeskinderen, wij hebben een moeder. Belijden wij samen deze waarheid! Ik nodig u uit, rechtstaand en drie keer te belijden, zoals de gelovigen in Efeze: Heilige Moeder van God, Heilige Moeder van God, Heilige Moeder van God!

Vertaling overgenomen van RKDocumenten.nl.



[1] Vgl. Paus Franciscus, Apostolische Exhortatie, Over de verkondiging van het Evangelie in de wereld van vandaag – Naar aanleiding van de Bisschoppensynode 2012 over de nieuwe evangelisatie, Evangelii Gaudium, 24 november 2013, 288.

[2] Vgl. Paus Franciscus, Encycliek, 'Wees geprezen' - over de zorg voor het gemeenschappelijke huis, Laudato Si', 24 mei 2015, 49

[3] Ibid, 151