H Jozefmaria Dagelijkse teksten

“Elkaar vergeven”

Met veel aandrang predikte de apostel Johannes het mandatum novum, het nieuwe gebod: “Hebt elkaar lief!” Ik zou jullie op de knieën willen smeken - zonder theater, want het komt recht uit mijn hart - om uit liefde tot God van elkaar te houden, elkaar te helpen, elkaar de hand te reiken, elkaar te vergeven. Geef daarom geen ruimte aan de hoogmoed! Heb begrip voor elkaar, verzorg de naastenliefde, help elkaar met gebed en oprechte vriendschap. (De Smidse, 454)

Jezus Christus, Onze Heer, is mens geworden en heeft onze natuur aangenomen om zich aan de mensheid te tonen als voorbeeld van alle deugden. Leert van Mij —klinkt zijn uitnodiging— Ik ben zachtmoedig en nederig van hart (Mat 11, 29).

Later, als Hij de apostelen het teken verklaart waaraan zij als gelovigen herkend zullen worden, zegt Hij niet: omdat gij nederig zijt. Hij is de opperste zuiverheid, het onbevlekte Lam. Niets zou zijn volmaakte heiligheid, die zonder smet was, kunnen bevlekken. Hij geeft echter ook niet te kennen: daardoor zullen zij zich er rekenschap van geven, dat gij mijn leerlingen zijt, omdat gij kuis en zuiver bent (vgl. Joh 8, 46).

Hij trok over deze wereld met de meest volledige onthechting aan aardse goederen. Zelf Schepper en Heer van het heelal, had Hij zelfs geen plekje om zijn hoofd te rusten te leggen (vgl. Mat 8, 20). Zijn verklaring luidt trouwens ook niet: zij zullen weten dat gij de mijnen zijt, omdat gij u niet aan rijkdommen hebt gehecht. Hij verblijft veertig dagen en nachten in de woestijn, in streng vasten, voor Hij zich wijdt aan de prediking van het evangelie (vgl. Mat 4, 2). En op dezelfde wijze geeft Hij de zijnen niet de verzekering: zij zullen begrijpen dat gij God dient, omdat gij geen veelvraten of drinkebroers zijt. 

Het onderscheidend kenmerk van de apostelen, van de authentieke christenen van alle tijden, hebben wij gehoord: Hieruit —en nergens anders uit— zullen allen kunnen opmaken dat gij mijn leerlingen zijt, als gij de liefde onder elkaar bewaart (Joh 13, 35). (Vrienden van God, 224)