H Jozefmaria Dagelijkse teksten

“God en de mensen dienen”

Iedere bezigheid – of die menselijk gezien belangrijk is of niet – moet voor jou een middel zijn om God en de mensen te dienen. Dat geeft de ware dimensie aan ons handelen. (De Smidse, 684)

Ik ben er zeker van dat Jezus ook vandaag nog een woning zoekt in ons hart. Laten wij Hem om vergeving vragen voor onze persoonlijke blindheid en ondankbaarheid. En vragen wij Hem om de genade ons hart nooit meer voor Hem te sluiten.

De Heer verbergt niet dat de gehoorzaamheid die helemaal onderworpen is aan de goddelijke wil, zelfverloochening en overgave vereist; want de Liefde laat zich niet voorstaan op haar rechten, ze wil dienen. Hij is als eerste deze weg gegaan. Jezus, hoe hebt Gij de gehoorzaamheid beoefend? Usque ad mortem, mortem autem crucis (Fil. 2, 8), tot aan de dood, de dood aan het Kruis. Men moet loskomen van zichzelf, bereid zijn een rustig leven op te geven, het te verliezen uit liefde voor God en de mensen. Ja, u wilde leven, en u wilde niet dat u iets overkwam. Maar God heeft het anders gewild. Er zijn twee soorten wil. Die van u moet rechtgezet worden om één te zijn met de wil van God. Gods wil hoeft zich niet aan die van u aan te passen (H. Augustinus, Enarrationes in psalmos, 31, 2, 26 [PL 36, 274]).

Ik heb vol vreugde gezien hoe veel mensen hun leven op het spel hebben gezet om Gods wil te vervullen. Zoals U, Heer, usque ad mortem. Hun kracht en hun dagelijks werk hebben ze gewijd in dienst van de Kerk, tot welzijn van alle mensen,

Wij willen leren gehoorzamen, leren dienen. Er bestaat geen hogere waardigheid dan die van de vrijwillige overgave tot welzijn van de ander. Als de trots in ons woedt en de hoogmoed ons wil doen geloven dat wij supermensen zijn, dan is het ogenblik gekomen nee te zeggen, en te erkennen dat ons triomferen alleen in de nederigheid ligt. Op deze wijze worden wij één met Christus aan het Kruis, en dat niet prikkelbaar, angstig of onwillig, maar blijmoedig, want de vreugde die in de zelfverloochening ligt is het beste bewijs van liefde. (Als Christus nu langs komt, 19)