Brief van de prelaat 2-X-2011 in het Nederlands

Mgr. Javier Echevarría richt zich in een uitgebreide brief tot de gelovigen van de Prelatuur op de dag waarop herdacht wordt dat het Opus Dei door de heilige Jozefmaria Escrivá werd gesticht. In deze brief behandelt hij enkele aspecten van de vorming voor het geestelijke leven en de nieuwe evangelisatie.

Pastorale brieven en berichten

Herderlijk schrijven van Mgr. Javier Echevarría

Prelaat van het Opus Dei

Rome, 2 oktober 2011

Mijn geliefde kinderen: moge Jezus jullie behoeden!

1. Sinds de Kerk haar apostolische opdracht van de Heer heeft ontvangen (vgl. Mt. 28, 19-20) is ze nooit opgehouden met de verkondiging van het Evangelie. In de loop der eeuwen zijn er veel vruchten gekomen: ook, door de genade van God, het Werk en elk van zijn gelovigen. Net als in andere tijden is er ook nu in veel milieus een sterk proces van ontkerstening aan de gang dat ernstige verliezen voor de mensheid met zich meebrengt. God heeft de Kerk altijd heiligen gestuurd die met hun woord en voorbeeld de zielen naar Christus hebben weten terug te brengen. Zoals Paus Benedictus XVI in zijn encycliek over de hoop heeft geschreven is het christendom niet enkel een “blijde boodschap”, een loutere mededeling , maar een mededeling die dingen bewerkt en het leven verandert . [1]

Ik wil nu blijven stilstaan bij sommige aspecten van deze vorming voor ons geestelijk leven en voor onze deelname aan de “nieuwe evangelisatie”, zoals de zalige Johannes Paulus die heeft genoemd.

In 1985 heeft de eerste opvolger van onze Vader een herderlijke brief gestuurd om ons te stimuleren heel actief in dit apostolaat deel te nemen. Hij drong aan op de noodzaak om zo veel mogelijk zorg te besteden aan onze persoonlijke vorming en aan de uitbreiding van het werk met de zielen.

Ook Benedictus XVI leidt de christenen nu over deze zelfde paden. Een teken van het belang hiervan is de recente instelling van een pauselijk orgaan om de nieuwe evangelisatie te bevorderen. [2] Allemaal voelen wij ons aangesproken door de woorden van de Paus bij de laatste Wereldjongerendagen, toen hij de jeugd aanspoorde in de meest verschillende milieus getuigenis af te leggen van het geloof, zelfs daar waar het wordt verworpen of waar men er onverschillig tegenover staat. Men kan Christus niet ontmoeten zonder Hem aan anderen te doen kennen. Houdt Christus dus niet voor jullie zelf. Laat anderen in de vreugde van jullie geloof delen. De wereld heeft het getuigenis van jullie geloof nodig, ze heeft God absoluut nodig . [3] VORMING TEN BEHOEVE VAN DE NIEUWE EVANGELISATIE Zoals de eerste christenen

2. Juist omdat het Werk op de wereld is gekomen om de mensen aan de universele roeping tot heiligheid en apostolaat te herinneren, heeft de heilige Jozefmaria gezegd dat de gemakkelijkste manier om het Opus Dei te begrijpen is aan het leven van de eerste christenen te denken. Zij beleefden voor de volle honderd procent hun christelijke roeping; zij zochten serieus de volmaaktheid waartoe zij door het eenvoudige en sublieme feit van het doopsel waren geroepen. Uiterlijk onderscheidden zij zich in niets van hun medeburgers . [4]

Met Pinksteren heeft de Trooster de apostelen en de andere leerlingen ertoe aangezet te evangeliseren, door in hun geest de onderrichtingen van Jezus Christus te doen herleven. Het volstaat de geschriften van het Nieuwe Testament te lezen om te merken dat een van de eerste bezigheden van de Twaalf was, het zaadje van het geloof te planten en dit met hun onderricht, mondeling en schriftelijk, te voeden. Het geduld waarmee de Heer gedurende drie jaar met de apostelen bezig is geweest om ze te vormen en waarmee zij en hun medewerkers met de bijstand van de Heilige Geest ononderbroken zijn doorgegaan heeft de oude wereld zó veranderd dat ze christelijk is geworden.

Noodzaak en belang van de vorming

3. De heilige Jozefmaria heeft iedereen aangespoord zijn eigen christelijke vorming te verwerven en voortdurend te verbeteren, omdat deze een onmisbare voorwaarde is om in intimiteit met Jezus Christus te groeien en Hem aan andere zielen te kennen te geven. Discite benefacere ( Jes. 1, 17), leert het goede te doen, herhaalde hij met woorden van de profeet Jesaja; want het is nutteloos dat een leer prachtig en heilbrengend is, als er geen mensen zijn die in staat zijn haar in praktijk te brengen . [5] Sinds hij zijn eerste stappen als priester had gezet, heeft hij al zijn energie gewijd aan de leerstellige vorming van de mensen die met zijn pastorale werk in contact kwamen. Daarna, toen het Opus Dei groeide, heeft hij deze toewijding nog intenser gemaakt en voor de nodige middelen gezorgd om dit vormingswerk ononderbroken voort te laten zetten. Op de eerste plaats met zijn geestelijke kinderen, maar ook met de ontelbare mensen – mannen en vrouwen, jongeren en ouderen, gezonden en zieken – die bereid bleken deze boodschap in hun ziel op te nemen.

Onze Vader onderscheidde vijf aspecten in de vorming: menselijke, geestelijke, leerstellige, apostolische en beroepsvorming. Hij zei dat een persoon beetje bij beetje groeit en nooit helemaal “af” kan zijn, nooit in zichzelf heel de menselijke volmaaktheid kan verwezenlijken waartoe de natuur in staat is. In een bepaald aspect kan iemand in vergelijking met alle andere mensen zelfs de beste worden en misschien kan niemand hem in deze concrete menselijke handeling overtreffen, maar als christen kent zijn groei geen grenzen. [6]

Als wij ons oprecht onderzoeken, ontdekken wij meteen dat wij in menselijk opzicht ons karakter, onze manier van zijn moeten verbeteren, door de menselijke deugden die de basis zijn voor de bovennatuurlijke te verwerven en er in te groeien. Het zelfde gebeurt in onze geestelijke vorming, want het is altijd mogelijk in de christelijke deugden vooruit te gaan, vooral in de naastenliefde die de essentie is van de volmaaktheid.

Het apostolaat is op zijn beurt een oeverloze zee en het vereist voorbereiding om de liefde van Christus in nieuwe milieus en meer landen te verkondigen. Dat is vanaf het begin het programma van de heilige Jozefmaria geweest, zoals uit een handgeschreven opmerking uit de eerste jaren van het Werk blijkt: Jezus Christus kennen. Hem doen kennen. Hem overal naar toe brengen. Daarbij is het beroepsprestige het haakje van de mensenvisser [7] om het rijk van Christus – reeds aanwezig in Zijn Kerk – in de maatschappij te verspreiden.

Het panorama is zó ruim dat wij nooit zullen kunnen zeggen: ik ben al gevormd! Wij zeggen nooit dat het genoeg is. Onze vorming eindigt nooit: alles wat jullie tot nu toe hebben ontvangen – heeft onze Vader uitgelegd – is het fundament van wat er nog op volgt . [8] Vrijheid, volgzaamheid, verantwoordelijkheidsgevoel

4. De vereenzelviging met Jezus Christus vereist de vrije medewerking van de mens: «Hij die je gemaakt heeft zonder jou, zal je niet zonder jou rechtvaardigen». [9] Deze persoonlijke beantwoording speelt een onmisbare rol, maar wat het schepsel niet kan bereiken dat doet de genade van God. De Heer heeft ons de vrijheid gegeven, die een heel groot goed en de oorsprong van veel kwaad is, maar ook de oorsprong van de heiligheid en van de liefde . [10] Oorsprong van de liefde: alleen vrije wezens zijn in staat te beminnen en gelukkig te zijn. Waar dwang heerst, kan de liefde moeilijk groeien. En er is geen geluk zonder het vrije en vastbesloten besluit zich met de Wil van God te vereenzelvigen.

De Kerk bezit het middel om de menselijke zwakheid te genezen, die het gevolg is van de zonde en die zich, onder andere, uit in de vermindering van de innerlijke vrijheid. Dit geneesmiddel, de goddelijke genade, geneest niet alleen onze natuurlijke vrijheid, maar verheft deze tot een nieuwe en hogere vrijheid. Jezus Christus heeft ons inderdaad weggerukt uit de slavernij van de vergankelijkheid om te delen in de glorierijke vrijheid van de kinderen Gods. (Rom. 8, 21 . Daarom – spoort de Apostel ons aan – houdt dus stand en laat u niet opnieuw het slavenjuk opleggen (Gal. 5, 1 ). Vraagt u zich wel eens af – nodigt de heilige Jozefmaria ons uit – of u onwrikbaar en standvastig trouw bent aan de keuze van uw levensweg? Of u, als u de zeer lieflijke stem van God u tot heiligheid hoort aansporen, in vrijheid antwoordt: ‹ja›? [11] De persoonlijke beslissing om aan de roeping van God, in de Kerk en in het Werk, te beantwoorden, is juist de reden voor onze volharding. Meer nog, deze vrijheid wordt ten volle verwezenlijkt, bereikt volledig haar doel, alleen door de liefdevolle overgave aan de Wil van God, zoals Jezus heeft gedaan.

De persoonlijke vrijheid – die ik met al mijn krachten verdedig en zal verdedigen – doet mij in een volledig vertrouwen en mij bewust van mijn eigen zwakte de vraag stellen: wat verwacht U van me, Heer, dat ik doe, opdat ik het vrijwillig doe? [12] En daar voegt onze Vader aan toe: Christus zelf geeft ons het antwoord: veritas liberabit vos (Joh 8, 32), de waarheid zal u vrijmaken. Wat is die waarheid die ons hele leven lang begin- en eindpunt van de weg der vrijheid aangeeft? Ik zal het u met de vreugde en de zekerheid, die voortvloeien uit de verhouding tussen God en zijn schepsels, in het kort uiteenzetten. Wij zijn voortgekomen uit de handen van God, wij zijn door de Heilige Drie-eenheid uitverkozen, wij zijn de kinderen van die verheven Vader. [13]

5. Iedereen die tot het Opus Dei toegelaten wordt neemt vrijwillig de verplichting op zich de vorming te krijgen om de zending van het Werk in de schoot van de Kerk te kunnen vervullen en ontvangt daarom dankbaar de specifieke vormingsmiddelen die de heilige Jozefmaria, trouw aan de goddelijke Wil, heeft vastgesteld.

Laten we serieus en veelvuldig de verplichting overwegen om ons leerstellig goed te vormen, om ons goed voor te bereiden om begrepen te worden; opdat bovendien degenen die naar ons luisteren zich daarna goed weten uit te drukken. [14] Vandaar de noodzaak om de vormingsmiddelen te ontvangen met het verlangen ze optimaal te benutten.

Zoals Johannes Paulus II heeft gezegd, «blijken in het werk van de vorming sommige overtuigingen bijzonder noodzakelijk en vruchtbaar. Vooral de overtuiging dat er geen echte en doeltreffende vorming mogelijk is, als niet iedereen uit zichzelf de verantwoordelijkheid voor zijn vorming op zich neemt en ontwikkelt; deze heeft inderdaad wezenlijk de aard van “zelfvorming”. Bovendien moeten we de overtuiging hebben dat ieder van ons het doeleinde en tegelijk het beginsel van de vorming is: hoe meer wij gevormd worden, des te meer voelen we de noodzaak om de vorming voort te zetten en te verdiepen; zoals wij ook meer bekwaam worden om anderen te vormen naarmate wij meer gevormd worden». [15] MENSELIJKE VORMING

6. De menselijke vorming is erop gericht de deugden te versterken en draagt bij aan de vorming van het karakter: de Heer wil ons heel menselijk en heel goddelijk, met onze ogen gericht op Hem die volmaakt God en volmaakt Mens [16] is.

Het gebouw van de heiligheid wordt op een menselijk fundament opgetrokken: de genade vooronderstelt de natuur. Daarom beveelt het 2e Vaticaans Concilie de lekengelovigen aan grote waarde te hechten aan «de sociale deugden, zoals eerlijkheid, een rechtvaardige gezindheid, oprechtheid, menselijkheid en geestkracht, die alle onmisbaar zijn voor een echt christelijk leven». [17]

Een sterke persoonlijkheid wordt gevormd in het gezin, op school, op de plaats waar men werkt, in de vriendschapsrelaties, in de verschillende situaties van het bestaan. Bovendien moeten we leren ons edel te gedragen en met een zuivere bedoeling te handelen. Op deze manier wordt ons karakter verbeterd om de basis te zijn voor een sterker geloof bij inwendige of uiterlijke moeilijkheden. Het ontbreekt niet aan mannen en vrouwen die misschien het goddelijk woord nooit gehoord hebben of het vergeten zijn. Maar hun aard is menselijk gesproken oprecht, trouw, meelevend, eerlijk. En ik durf te stellen dat, wie deze karaktertrekken in zich verenigt, er heel na aan toe is God een eerlijke kans te geven, want de natuurlijke deugden vormen het fundament van de bovennatuurlijke deugden . [18]

Tegenwoordig is het noodzakelijker dan ooit de waarde en de noodzaak van de menselijke deugden te herontdekken, want sommige mensen denken dat ze tegengesteld zijn aan de vrijheid, de spontaniteit en aan het “authentieke” in de mens, waar ze een verkeerd idee van hebben. Zij vergeten misschien dat deze goede gewoonten van verstand en wil het makkelijker maken goed, met een zuivere bedoeling, te handelen en de sociale samenleving rechtvaardig, vreedzaam en aangenaam maken.

De menselijke deugden blijven altijd iets aantrekkelijks, al is het in sommige milieus moeilijk de waarde ervan te begrijpen. Na alle verlokkende dingen die zijn hart niet kunnen vullen, zoekt de mens tenslotte iets dat werkelijk de moeite waard is. Daarom hebben wij christenen de grootse taak om, op de eerste plaats met ons eigen voorbeeld, de schoonheid te laten zien van een deugdzaam leven, dat wil zeggen een volkomen menselijk, gelukkig leven.

De matigheid en de sterkte blijken tegenwoordig van bijzonder belang te zijn.

Matigheid 7 . Matigheid is zelfbeheersing. Zelfbeheersing wanneer men bemerkt dat niet aan elke opwelling van ons lichaam of van onze ziel zonder meer gehoor gegeven hoeft te worden. Niet alles wat gedaan kan worden, moet gedaan worden. Het is vrij gemakkelijk zich te laten leiden door aandriften die natuurlijk genoemd worden; maar aan het eind van die weg treft men droefheid en afzondering in eigen misère . [19]

Deze deugd brengt orde en maat in het verlangen en zorgt ervoor dat het verstand de teugels van de hartstochten stevig in handen heeft. De beoefening ervan betekent niet dat we ons louter dingen ontzeggen, wat een karikatuur van deze deugd zou zijn. Ze is erop gericht het aangename goed en de aantrekkingskracht hiervan harmonieus te integreren in een volwassen persoonlijkheid. Matigheid staat niet voor begrenzing, maar voor grootsheid. De onmatige moet zich veel meer ontzeggen, doordat het hart afziet van zichzelf en zich aan de eerste de beste, die zich aandient met het schamele geluid van een blikken koebel onderdanig maakt . [20]

De ervaring leert dat het gebrek aan matigheid het moeilijk maakt te beoordelen wat echt goed is. Wat zielig zijn de mensen voor wie het genot bepaalt wat voor beslissingen ze nemen. Iemand die onmatig is laat zich leiden door de wisselende indrukken die zijn omgeving hem verschaft. Deze brengen de mens in een spiraal van zelfvernietiging, omdat hij de waarheid van de dingen terzijde laat en het geluk zoekt in vluchtige ervaringen. Deze kunnen hem nooit helemaal bevredigen maar maken hem onrustig en onevenwichtig, omdat ze voorbijgaand en zinnelijk zijn. De matigheid daarentegen verschaft kalmte en rust; de goede verlangens en edele gevoelens worden er niet door tot zwijgen gebracht of ontkend, maar ze maakt de mens tot baas over zichzelf.

Op dit gebied hebben de surnumerairs een bijzondere verantwoordelijkheid, met hun inspanning om christelijke huisgezinnen te stichten. De heilige Jozefmaria zei altijd dat de ouders hun kinderen horen te leren sober te leven. (…) Het is moeilijk, maar jullie moeten sterk zijn: beleef de sterkte om ze op te voeden in de matigheid . [21] De doeltreffendste manier om, vooral aan kleine kinderen, deze manier van leven te leren is het voorbeeld, want ze zullen alleen de schoonheid van de deugd begrijpen wanneer ze zien hoe jullie uit liefde voor hun afzien van een gril, of jullie eigen rust opgeven om met hun bezig te zijn, ze te vergezellen, jullie taak als ouders te vervullen. Helpt ze de dingen met verstand en mate te gebruiken: jullie zullen hun daarmee een grote dienst bewijzen. Ik herhaal: als jullie zorgen dat er matigheid in jullie gezin heerst zal de Heer jullie zelfverloochening en offer belonen. En er zullen in de schoot van jullie eigen gezin roepingen om zich aan God toe te wijden komen.

Sterkte

8. Soms ervaren we in onszelf een zekere weerstand tegen de inspanning, tegen hetgeen werk, offer, zelfverloochening met zich meebrengt. De sterkte «verzekert in moeilijkheden standvastigheid en volharding in het streven naar het goede. Ze bevestigt het besluit aan de bekoringen te weerstaan en de struikelblokken in het morele leven te overwinnen. De deugd van sterkte maakt het mogelijk de angst te overwinnen, zelfs voor de dood en de beproeving en de vervolgingen te trotseren». [22]

Laten we ons inspannen om de gewoonte te verwerven ons in kleine details te overwinnen: een rooster volgen, voor materiële orde zorgen, niet aan grillen toegeven, onze boosheid beheersen, afmaken waar we aan begonnen zijn, enz. Zo zullen we sneller aan de eisen van onze christelijke roeping kunnen beantwoorden. Bovendien zal de sterkte ons ertoe brengen geduldig te zijn, te lijden zonder dat anderen daaronder lijden, de tegenslagen te verdragen die voortkomen uit onze eigen beperkingen en gebreken, uit vermoeidheid, het karakter van de anderen, onrechtvaardigheden, gebrek aan middelen. Sterk is hij die volhardt in het vervullen van wat hij moet doen volgens zijn geweten; hij die de waarde van een karwei niet alleen afmeet naar het profijt dat het oplevert, maar naar de dienst die hij er een ander mee bewijst. De sterke lijdt soms, maar hij doorstaat het; hij huilt misschien, maar hij drinkt zijn tranen. Als de tegenwerking toeneemt, bezwijkt hij er niet onder . [23]

Het is absoluut waar dat we sterk moeten zijn om dagelijks de taak van onze eigen heiliging en van het apostolaat midden in de wereld op ons te nemen. Er zullen misschien hindernissen komen, maar de mens die gedreven wordt door de sterkte van God – quoniam tu es fortitudo mea ( Ps. 30 [31] 5), want U, Heer, bent mijn sterkte – is niet bang zijn geloof te beleven, te verkondigen en te verdedigen, ook wanneer dat veronderstelt dat hij tegen de stroom in moet gaan. Laten we opnieuw onze ogen op de eerste christenen richten: zij hebben talloze moeilijkheden ondervonden, want de leer van Christus was – toen zoals ook nu – een teken van tegenspraak ( Lc 2, 34). De wereld van vandaag heeft vrouwen en mannen nodig die in hun dagelijks gedrag het stilzwijgende en heldhaftige getuigenis bieden van zo veel christenen die het Evangelie beleven zonder te schipperen, door hun plicht te vervullen . [24] Goede manieren

9. De inzet om de menselijke deugden goed te verzorgen zal ertoe bijdragen dat men de bonus odor Christi (vgl. 2 Cor. 2, 15), de goede geur van Christus uitstraalt. In deze context is de fijngevoeligheid bijzonder belangrijk, een hartelijk en respectvol gedrag in de betrekkingen met anderen. Laten wij dat bevorderen binnen het gezin, op de plaats waar we werken, op de momenten die gewijd worden aan vermaak, sport, ontspanning, ook al is het vaak nodig ook hier tegen de stroom op te roeien. Laten we niet bang zijn als onze christelijke eenvoud en natuurlijkheid botsen met de omgeving, want – zoals de heilige Jozefmaria ons heeft geleerd – dat is dan de natuurlijkheid die de Heer van ons vraagt. [25]

Tegenwoordig is er een ontzettend grote behoefte aan fijngevoeligheid en goede manieren, en het is nodig deze ook om ons heen te bevorderen. Deze uitingen van fijngevoeligheid in het gedrag worden in het gezin en in de maatschappij vaak verwaarloosd, onder het mom van een valse natuurlijkheid. Er zijn talloze manieren om op dit gebied aan de vorming bij te dragen. De eerste is als altijd het voorbeeld, al zal het ook nuttig blijken te zijn er door middel van persoonlijke gesprekken en voordrachten aan groepen op aan te dringen. Het respect in de wederzijdse omgang komt tot uiting in een waardige en fatsoenlijke manier van zich te kleden, in de onderwerpen van gesprek, in het bevorderen van een vreugdevolle dienstgeest in het gezin, op school en waar men zich ontspant of vermaakt; en in de materiële zorg voor het huis en in het zorgen voor de kleine details.

Het is van bijzonder belang om een serieus cultureel niveau, aan ieders omstandigheden aangepast, te verwerven en te bevorderen ter ondersteuning van de studie, het sociale milieu, en ieders persoonlijke voorkeur. Ik beperk me ertoe jullie eraan te herinneren dat de lectuur en het goed benutten van de tijd die aan gepaste ontspanning wordt gewijd hier een belangrijke rol spelen.

10. In de centra van het Opus Dei en in de apostolaatswerken die door gelovigen van de Prelatuur worden zijn opgezet, moet men trachten dat de jongeren zich de gewoonte eigen maken aan de anderen te denken, met edelmoedigheid en met de wens te dienen. We moeten ze op een positieve manier aanmoedigen een levensideaal voor ogen te hebben dat hun niet in miezerige, gemakzuchtige of egoïstische grenzen opsluit. Laten we eraan denken hoe de heilige Jozefmaria ons heeft aangespoord om in de jongeren al hun edele ambities te bevorderen en bovennatuurlijk te maken.

Als ze deze nobele ambities met een geest van offer en zelfoverwinning beleven zal het makkelijker en eenvoudiger voor hen zijn de transcendentie en het bovennatuurlijke aspect van deze inspanningen te merken. Het zal gemakkelijker zijn hen te helpen vooruitgaan in hun innerlijk leven waardoor ze geschikte instrumenten in de handen van Christus worden ten dienste van de Kerk en de maatschappij.

Veel meisjes en jongens – heeft Johannes Paulus II een keer gezegd – «stellen hoge eisen wat betreft de zin en het model van hun leven en willen zich bevrijden van de religieuze en morele verwarring. Helpt hen bij deze taak. De nieuwe generaties staan inderdaad open en zijn gevoelig voor de waarden van de religie, al is het soms onbewust. Ze voelen aan dat het religieuze en morele relativisme niet gelukkig maakt en dat de vrijheid zonder de waarheid ijdel en bedrieglijk is». [26] De mens die zich tevreden stelt met een beperkte horizon zal maar heel moeilijk een ware menselijke en christelijke vorming verwerven. Laten we niet ophouden de jongeren aan te moedigen zodat ze weerbaar worden tegenover de problemen van deze wereld.

Omgangsvormen van de priesters

11. Ook voor de priesters blijkt de beoefening van de menselijke deugden onmisbaar te zijn, uit de aard zelf van hun pastorale dienstwerk. De priesters werken midden in de wereld, in onmiddellijk contact met ieder soort mensen, die – zoals don Álvaro heeft omschreven – «de priester gewoonlijk onverbiddelijk beoordelen. Ze letten op de eerste plaats op zijn manier van handelen als mens». [27]

Een beminnelijke, goedgemanierde priester, die beschikbaar is om zijn tijd aan de anderen te wijden, weet zich goed te presenteren en de strijd van de christen aangenaam te maken.

Geen enkele omstandigheid kon de heilige Jozefmaria afbrengen van het verheven beeld dat hij van de priester had. Hoewel deze zich van de ene kant alles voor allen moet maken om allen te bereiken (vgl. 1 Cor. 9, 19), mag hij van de andere kant niet vergeten dat hij Jezus Christus onder de mensen tegenwoordig stelt. Daarom is het logisch dat hij zich –binnen zijn persoonlijke grenzen – ervoor moet inspannen dat de andere gelovigen via zijn persoonlijke gedrag het gelaat van de Heer ontdekken. De aanbevelingen die onze stichter tot de priesters heeft gericht zijn blijvend actueel. Hij heeft aangedrongen op een gepaste manier van kleden, opdat de mensen ze zouden kunnen herkennen als geestelijken, belast met het beheer van Gods geheimen (vgl. 1 Cor. 4, 1).

Het priesterschap omvat heel het bestaan van de priester. Juist daarom, omdat hij werkelijk en voortdurend beschikbaar hoort te zijn, moet men hem gemakkelijk kunnen herkennen en de soutane of de clergyman zijn een duidelijk onderscheidingsteken. De kleding van de priester blijft niet onopgemerkt in de huidige maatschappij, die heel gebonden is aan de beeldcultuur en tegelijk wellicht van God verwijderd is. Daarom dragen de priesters van de Prelatuur die hun pastorale dienst in een kerk verrichten gewoonlijk in de kerk en ook in onze centra een soutane. Over de landen waar andere gewoontes heersen –zei onze Vader hierover – zeg ik niets. We zullen altijd doen wat de Kerk beschikt. Maar binnenshuis zullen we de soutane dragen. Degenen die de mond vol hebben over vrijheid moeten tenminste onze vrijheid respecteren wat betreft hoe wij thuis gekleed gaan. [28] GEESTELIJKE VORMING

12. Dit facet hoort «een voorkeursplaats in het leven van iedereen in te nemen, omdat hij geroepen is ononderbroken in intimiteit met Jezus te groeien, in overeenstemming met de Wil van de Vader, in de overgave aan zijn medemensen in naastenliefde en rechtvaardigheid.» [29]

Paus Benedictus XVI heeft eraan herinnerd dat ook al werd in de oudste traditie van de Kerk de systematische geloofskennis zeker niet verwaarloosd, toch lag de nadruk op de ervaring, waarbij de levende en overtuigende ontmoeting met Christus, bemiddeld door authentieke getuigen, doorslaggevend is. [30] Het leven in vereniging met Christus, het streven naar de heiligheid, wordt gevoed door geestelijke hulpmiddelen: kennis van de katholieke leer, liturgisch en sacramenteel leven, geestelijke (bege)leiding.

Zich met Jezus Christus vereenzelvigen

13. Er zijn door de werking van de Heilige Geest ontelbare manieren om Jezus Christus binnen de Kerk te volgen. Zo heeft onze Vader het geschreven: Jullie moeten zo verschillend zijn als de heiligen in de hemel, die allen hun eigen, zeer persoonlijke trekken hebben. En tegelijkertijd moeten jullie evenzeer op elkaar gelijken als de heiligen, die niet heilig zouden zijn als zij zich niet helemaal gelijkvormig hadden gemaakt aan Christus . [31]

Het Opus Dei beveelt zijn gelovigen of degenen die deelnemen aan de apostolaatwerken niet alleen vroomheidspraktijken – die allemaal tot de traditie van de Kerk behoren – aan, maar deelt ook een bepaalde geest mee om het eigen leven bewust te leven en er zin aan te geven door het te bouwen op het goddelijk kindschap in Christus. De spil – de as – waar heel het heiligingswerk, van zichzelf en anderen, om draait is het beroepswerk dat op de best mogelijke manier wordt uitgevoerd, in vereniging met Jezus Christus en met het verlangen de anderen te dienen.

Deze geestelijke hulp vergemakkelijkt de eenheid van leven, omdat de gelovigen van de Prelatuur en de leden van het Priesterlijk Genootschap van het Heilig Kruis leren de concrete situaties waarin ze zich bevinden te maken tot een gelegenheid en middel tot heiligheid en apostolaat, door altijd met de grootste persoonlijke vrijheid te handelen in beroepskwesties, en gezins-, sociale en politieke aangelegenheden enz. die de Kerk aan de persoonlijke beslissing van de katholieken overlaat.

In deze zin heeft de heilige Jozefmaria uitgelegd dat het onmogelijk is onderscheid te maken tussen werk en beschouwing: men kan niet zeggen waar het gebed of waar het werk eindigt. Men blijft altijd bidden en beschouwen in de aanwezigheid van God. Terwijl we ogenschijnlijk mensen van actie zijn, bereiken we een hoogte als de grootste mystici hebben bereikt: ik heb zó hoog, zó hoog gevlogen, dat ik mijn prooi heb bereikt , het hart van God . [32] Wij kunnen niet anders dan een echo van deze onderrichtingen ontdekken in de woorden van Paus Johannes Paulus II, die hij in Castelgandolfo tot gelovigen van het Opus Dei heeft gericht. «Verenigd met God leven in de wereld, in iedere situatie, door te trachten met de hulp van de genade zichzelf te verbeteren en door Jezus Christus met het getuigenis van het eigen leven te kennen te geven. Wat is er mooier en meer enthousiasmerend dan dit ideaal? Jullie willen de vreugdevolle en smartelijke mensheid van binnenuit en erin vermengd beminnen, verlichten en redden.» [33] De middelen

14. De verbinding van werk met ascetische strijd, de contemplatie en de beoefening van de apostolische zending vereist een diepgaande voorbereiding: daarom biedt het Opus Dei ons een wijde waaier aan hulpmiddelen voor de persoonlijke en collectieve vorming. Onder de persoonlijke middelen is er een van bijzonder belang: het broederlijk gesprek, dat wij juist vanwege zijn interpersoonlijke vertrouwelijke karakter ook wel het vertrouwelijk gesprek noemen.

Het is een gesprek waarin geestelijke leiding wordt gegeven, in een context van broederlijke dienstbaarheid, om in vrijheid en met verantwoordelijkheid midden in de wereld de dagelijkse ontmoeting met Christus ten diepste te beleven. Reeds op de bladzijden van het Nieuwe Testament lezen wij hoe de Heer zich van de bemiddeling van mensen heeft willen bedienen om de zielen op weg te helpen naar het doel van de heiligheid. Wanneer Hij Sint Paulus onderweg naar Damascus roept, vraagt Hij hem naar een andere mens, Ananias, te gaan die hem zal meedelen wat hij moet weten over de nieuwe weg waaraan hij gaat beginnen. (vgl. Hand 9, 6-18; 22, 10-15). Daarna zal hij naar Jeruzalem gaan videre Petrum , om Petrus te zien en van hem veel aspecten van de christelijke leer en van het christelijk leven te leren (vgl. Gal. 1, 18). De geestelijke leiding is daadwerkelijk een traditie die teruggaat tot de eerste stappen van de Kerk.

In het Opus Dei is deze geestelijke hulp erop gericht het de mensen te vergemakkelijken getrouw de geest te assimileren die onze stichter van God ontvangen en ons doorgegeven heeft, en die door de Kerk wordt voorgehouden als een weg van heiligheid. [34]

15. De heilige Jozefmaria benadrukte dat in het Opus Dei de persoonlijke geestelijke leiding in actu gebeurt, dat wil zeggen op het moment waarop men dit gesprek voert. Deze geestelijke leiding houdt in dat men raadgevingen krijgt die helpen om in het christelijk leven vooruit te gaan. Onze Vader heeft deze soms vergeleken met de taak van een broer of zus die ervoor wil zorgen dat het goed gaat met zijn jongere broers of zussen; van een trouwe vriend of vriendin, die bewogen worden door de wens anderen te helpen betere christenen te worden. [35] Kortom, het vertrouwelijk gesprek is een gesprek tussen broers of zussen en niet van een ondergeschikte met zijn baas. Degenen die deze broederlijke gesprekken ontvangen handelen met een buitengewone fijngevoeligheid, vrucht van de exclusieve zorg voor het innerlijk leven en de apostolische taken van hun broers of zussen, zonder dat ze ooit invloed willen uitoefenen op de tijdelijke aangelegenheden (van het beroep, of van sociale, culturele, politieke aard, enz.) van de ander.

In het Werk wordt de scheiding tussen de bestuurstaken en de geestelijke leiding in de praktijk onder andere verzekerd door het feit dat juist degenen die gesprekken van geestelijke leiding ontvangen – de locale directeuren of directrices en enkele andere speciaal voorbereide gelovigen van de Prelatuur en de priesters bij het toedienen van het sacrament van Boete en Verzoening – geen enkele rechtsmacht hebben over de personen die ze leiden. De lokale leiding gaat, voor zover zijn bevoegdheid reikt, niet over de personen, maar alleen over de organisatie van de centra en de apostolische activiteiten. De functie van de locale leiding houdt voor zover het hun broers of zussen betreft alleen broederlijke raadgevingen in. Bijgevolg gaan de functies van bestuur en geestelijke hulp niet samen in de zelfde persoon. In de Prelatuur is de enige basis van bestuursgezag over de personen de jurisdictie, die alleen toekomt aan de Prelaat en zijn vicarissen.

Wat heeft het Opus Dei dus te bieden? Fundamenteel een geestelijke leiding aan zijn gelovigen en de andere mensen die daarom vragen. Wij gelovigen van de Prelatuur hebben er, altijd in volle vrijheid en met geloof in de goddelijke genade die zich van menselijke instrumenten bedient, gewoonlijk geen bezwaar tegen van degenen die de directeuren of directrices ons toewijzen – ook al is het iemand die jonger is dan wijzelf – geestelijke leiding te ontvangen, omdat wij onze persoonlijke heiliging verlangen en de zending van het Opus Dei in de Kerk willen verwezenlijken. Het broederlijke gesprek betekent niet dat wij rekenschap moeten afleggen van ons geweten.

Als men ons in deze geestelijke leiding iets vraagt – en soms kan het goed en zelfs noodzakelijk zijn dat men ons een vraag stelt – zal men daarin altijd heel fijngevoelig zijn, immers niemand is verplicht in zo’n gesprek te vertellen wat materie voor de biecht is.

Mijn kinderen, alles wat ik jullie zeg zal jullie vanzelfsprekend lijken, maar ik heb het willen noemen in de actuele context van de maatschappij, die een bijzondere gevoeligheid toont voor het respect voor de intimiteit van de persoon, al komen ook gebrek aan schaamtegevoel en aan respect voor het privéleven van de anderen in bepaalde milieus overvloedig voor. Zodra wij het Werk een beetje hadden leren kennen heeft men ons allen uitgelegd dat wij niet degene die naar ons luistert “mijn geestelijk leider” moesten noemen. Dat doen wij niet, gewoon omdat, herhaal ik, deze figuur in het Werk niet bestaat, noch ooit bestaan heeft. Degene die een vertrouwelijk gesprek ontvangt geeft de geest van het Opus Dei door zonder er iets aan toe te voegen: wie de taak heeft deze hulp te bieden, verdwijnt naar de achtergrond om de zielen tegenover God te plaatsen, binnen de karakteristieken van onze weg. Een weg, die van het Werk, zei onze Vader, die heel breed is. Men kan aan de rechterkant lopen of links; te paard gaan, op de fiets; op de knieën, op handen en voeten zoals toen jullie kinderen waren; en ook over de stoeprand, als je maar niet van de weg afraakt. [36] Het Sacrament van boete en verzoening

16. Behalve het broederlijk gesprek gaan we – gewoonlijk wekelijks – naar een priester om de geestelijke hulp te krijgen die samengaat met de sacramentele Biecht. Zoals goed te begrijpen is, worden wij geholpen door de biechtvaders die voor de verschillende centra worden aangewezen en die gewijd zijn om op de eerste plaats met een totale beschikbaarheid hun broers en zussen te dienen en – omdat ze dezelfde geest kennen en beleven – specifiek voorbereid zijn om ons te oriënteren, nooit om ons te bevelen. Op een soortgelijke manier handelt degene die naar zijn huisarts gaat, wanneer men die heeft, in plaats van naar een onbekende te gaan.

Tegelijkertijd genieten de gelovigen van de Prelatuur net als alle katholieken volledige vrijheid – zoals de heilige Jozefmaria altijd heel duidelijk heeft gezegd – om bij iedere priester die licenties heeft te biechten of met hem te spreken. Het zal jullie verbazen dat ik jullie zo duidelijk aan deze waarheid herinner, maar ik vind het belangrijk dit te zeggen omdat het misschien minder bekend is bij degenen die niets weten van het Opus Dei of van de geest van vrijheid die eigen is aan degenen die Jezus Christus navolgen. Bovendien heeft onze Vader bepaald dat degenen die naar ons gesprek luisteren en onze biecht horen gewoonlijk verschillende personen zijn.

Geest van initiatief en volgzaamheid

17. De personen die geestelijke leiding ontvangen moeten het verlangen hebben om vooruit te gaan in de navolging van Christus. Zij zijn het die op de eerste plaats belang hebben bij het zoeken van deze stimulans zo vaak als nuttig is, door hun hart oprecht te openen zodat men ze doeleinden kan voorstellen, op mogelijke misstappen kan wijzen, in momenten van moeilijkheden kan bemoedigen, raad en begrip kan geven. Daarom handelen ze met initiatief en verantwoordelijkheid. De raad van een andere christen en vooral – in kwesties van moraal en geloof – de raad van een priester is zeker een zeer belangrijk hulpmiddel om te leren zien wat God in een bepaalde situatie van ons wil. Maar een advies schakelt nooit de persoonlijke verantwoordelijkheid uit. De beslissing ligt uiteindelijk bij ieder van ons afzonderlijk, en wij zelf hebben ons er persoonlijk tegenover God voor te verantwoorden. [37]

Als wij geestelijke leiding ontvangen moeten we – om het handelen van de Heilige Geest te ondersteunen, geestelijk te groeien en ons met Christus te identificeren – de deugden van oprechtheid en volgzaamheid bevorderen. Deze deugden zorgen immers voor de juiste houding van de gelovigen tegenover de Heilige Geest. Zo heeft de heilige Jozefmaria deze aanbeveling, gericht tot alle gelovigen – van het Werk of niet – beschreven. U kent al te goed de verplichtingen van uw weg als christen die u zonder uitstel en met kalmte naar de heiligheid voeren. U bent ook op bijna alle moeilijkheden voorbereid, omdat u ze al aan het begin van de weg ontwaart. In uw eigen belang dring ik er nu op aan dat u zich laat helpen, laat leiden, door een geestelijk leidsman, aan wie u al uw verlangens naar heiligheid en dagelijkse zorgen die uw innerlijk leven raken, de mislukkingen die u incasseert en al uw overwinningen toevertrouwt . [38]

En om weerklank te geven aan de onderrichtingen van de kerkvaders en geestelijke schrijvers, heeft hij, gesteund op de ervaring van vele jaren van pastorale praktijk, benadrukt: Als de stomme duivel zich in een ziel nestelt, tast hij alles aan. Als hij er daarentegen direct uitgewerkt wordt, komt alles goed, zijn we gelukkig, leiden we een rechtschapen leven. Laten we altijd ‘op woeste wijze’ oprecht zijn, maar niet onwelvoeglijk. [39]

De Heer stort zijn genade overvloedig uit over degenen die nederig en met bovennatuurlijke visie de raadgevingen van de geestelijke leiding ontvangen en in deze hulp de stem van de Heilige Geest onderscheiden. Alleen een daadwerkelijke volgzaamheid van hart en geest maakt het mogelijk vooruit te gaan op de weg naar de heiligheid, aangezien de Trooster met Zijn ingevingen en met de raadgevingen van degenen die naar ons luisteren, degene is die met zijn ingevingen aan onze gedachten, werken en wensen een bovennatuurlijk accent geeft. Hij spoort ons aan de leer van Christus te aanvaarden en er dieper in door te dringen. Hij verlicht ons, opdat we ons bewust worden van onze persoonlijke roeping. Hij sterkt ons, opdat we zullen doen wat God van ons verwacht. Als we gewillig zijn tegenover de heilige Geest, dan zal het beeld van Christus steeds duidelijker gestalte in ons krijgen. Zo zullen we iedere dag dichter bij God de Vader komen. Allen die zich door de Geest Gods laten leiden, zijn kinderen van God ( Rom. 8, 14). [40] Nederigheid en prudentie bij het geven van geestelijke leiding

18. Ik blijf nu stilstaan bij de gesteltenissen van degenen die anderen met geestelijke leiding helpen. Op de eerste plaats moeten zij van de anderen houden zoals ze zijn, en uitsluitend hun welzijn zoeken. Zo zal hun houding altijd positief, optimistisch en aanmoedigend zijn. Bovendien zullen zij ook in zichzelf de deugd van de nederigheid moeten bevorderen om niet uit het oog te verliezen dat ze alleen maar een instrument zijn (vgl. Hand. 9, 15) waarvan de Heer zich wil bedienen voor de heiliging van de zielen.

Van de andere kant zullen deze personen zich tot het uiterste inspannen om zich zo goed mogelijk voor te bereiden op de uitoefening van deze taak en om de fundamentele beginselen van de ontwikkeling van het geestelijk leven die de zielen gewoonlijk volgen te kennen en om, als er zich bijzondere situaties voordoen op een verstandige manier te twijfelen – dat wil zeggen niet uitsluitend op hun eigen inzicht te vertrouwen. In deze gevallen zal men niet alleen extra bidden, maar ook meer licht vragen aan de Heilige Geest om de zaak te bestuderen en te bekijken. Als het nodig is kan men, in overeenstemming met de richtlijnen van de moraal, raad vragen aan mensen die daar meer van af weten door de zaak, altijd met de vereiste voorzichtigheid, voor te stellen als een hypothetisch geval en door de omstandigheden te veranderen zodat de identiteit van degene om wie het gaat volledig beschermd blijft, omdat het beroepsgeheim strikt nageleefd moet worden.

Wij hebben in het Werk al altijd geweten en uitdrukkelijk geaccepteerd dat degene met wie men het vertrouwelijk gesprek voert bij de desbetreffende directeur of directrice te rade kan gaan, wanneer het nodig lijkt om degene om wie het gaat beter te helpen. Opdat de geest van vrijheid en vertrouwen in deze situaties – die niet gewoon zullen zijn, noch vaak zullen voorkomen – nog duidelijker naar voren komt, dient de persoon die het gesprek ontvangt aan de betreffende voor te stellen of hij zelf raad wil vragen of liever heeft dat de geestelijk leider dat doet. Op deze wijze worden de maatregelen van fijngevoeligheid en voorzichtigheid versterkt die vanaf het begin zijn beleefd.

Tegelijkertijd heeft iedereen de vrijheid om zich direct tot de Vader of tot een regionale directeur of directrice te wenden, om over het eigen innerlijk leven te spreken. Dit biedt ons, die in het Opus Dei geestelijke leiding ontvangen, de garantie dat wij zullen ontvangen wat wij nodig hebben en verlangen: de geest die de heilige Jozefmaria ons heeft doorgegeven zonder toevoegingen of wijzigingen. Daarbij wordt de natuurlijke plicht tot geheimhouding die met de grootste zorg en striktheid wordt bewaakt zelfs niet een beetje geschonden: iemand die op dit punt niet voorbeeldig zou zijn, zou een fundamentele gesteltenis om geestelijke leiding te geven missen.

Degenen die voor anderen zorg dragen trachten op ieder moment de innerlijke vrijheid van deze zielen te bevorderen, opdat ze vrijwillig beantwoorden aan de eisen van de liefde tot God. De geestelijke leiding wordt dus geboden zonder de gelovigen van het Opus Dei eenvormig te maken; dat zou onlogisch zijn en een gebrek aan natuurlijkheid. Het Werk wil ons volmaakt vrij en verschillend. Maar het wil dat wij verantwoordelijke en consequente katholieke burgers zijn, dus dat ons hoofd en hart niet elk een andere kant uit gaan, maar overeenstemmen en sterk zijn om op ieder moment te doen waarvan men duidelijk inziet dat men het hoort te doen zonder zich te laten meeslepen – door gebrek aan persoonlijkheid en trouw aan het eigen geweten door neigingen of voorbijgaande modes . [41] Logischerwijze moet men met de nodige sterkte spreken om ze te stimuleren over de weg te gaan die God voor hun uitstippelt; maar ook met uiterste zachtheid, omdat ze geen baas zijn over de zielen en zich ook niet zo voelen, maar deze dienen: fortiter in re, suaviter in modo . Inderdaad, de verstandigheid eist dat men – altijd als de situatie het vraagt – het medicijn volledig, zonder het te verzachten, gebruikt nadat men de wond open heeft gelegd. (…) We moeten dit eerst op onszelf toepassen. Daarna op de mensen die we om redenen van rechtvaardigheid en liefde verplicht zijn te helpen . [42]

De gedachte dat men zelf ook in dit concrete punt moet verbeteren mag geen vertraging in deze taak zijn. Kan een arts die ziek is, iemand anders niet behandelen, ook al lijdt hij aan een slepende kwaal? Verhindert zijn ziekte hem voor anderen een adequaat recept uit te schrijven? Duidelijk niet. Voor een goede behandeling hoeft hij alleen maar de juiste kennis te hebben en toe te passen, met dezelfde instelling als waarmee hij zijn eigen ziekte bestrijdt . [43] De liturgische vorming

19. Binnen de geestelijke vorming en heel verenigd met de leerstellig vorming valt de liefde voor de gewijde liturgie van de Kerk waarin het werk van onze Verlossing – bij uitstek in de Heilige Mis – wordt verwezenlijkt. [44] De heilige Mis plaatst ons voor de allerhoogste geloofsmysteries, want zij is de gave van de heilige Drie-eenheid aan de Kerk. Zo begrijpen we dat de Mis het middelpunt en de wortel is van het geestelijk leven van de christen . [45]

De christelijke boodschap is performatief, dat wil zeggen: het evangelie – en de liturgie die dat op ons bestaan toepast – is niet slechts een mededeling wat betreft dingen die geweten kunnen worden; het is een mededeling die dingen bewerkt en het leven verandert. [46]

Niemand met gezond verstand en bovennatuurlijke visie kan denken dat de liturgie “een zaak van de priesters” is; of dat de priesters de Mis “opdragen” en het volk deze gewoon “bijwoont”. Verre van een dergelijke opvatting heeft de heilige Jozefmaria juist de deelname van iedereen gestimuleerd: vanaf het begrijpen dat er een innerlijk verband is tussen de liturgie van het Woord en van de Eucharistie, of dat de dimensie van aanbidding wezenlijk is in de Mis, tot concrete details zoals het gebruik van het missaal om de deelname van de gelovigen te vergemakkelijken: eerst vanuit het hart en dan met de voorgeschreven woorden en gebaren. Ik herinner me gehoord te hebben dat hij, om deze deelname te versterken, reeds in de dertiger jaren van de vorige eeuw heeft gewild dat men in de Mis hardop zou antwoorden op de gebeden die de priester uitspreekt. Toen was dat niet gebruikelijk: er ontbraken nog dertig jaar tot het Tweede Vaticaans Concilie.

De liturgie van het woord

20. Heel de geschiedenis van het heil en de liturgie die haar viert en tegenwoordig stelt wordt gekenmerkt door het initiatief van God die ons samenroept en van iedereen van ons een actueel antwoord verwacht, met een liefde die daarna onze hele dag vorm geeft, zodat het Altaaroffer gedurende al die vierentwintig uur erna wordt voortgezet.

De viering van het Woord in de heilige Mis is een werkelijke dialoog die een fijngevoelig antwoord vraagt: het is God die tot Zijn volk spreekt en het volk maakt zich dit goddelijk woord eigen in stilte, door gezangen en zo voort; het volk stemt ermee in door de geloofsbelijdenis en richt vol vertrouwen smeekbeden tot de Heer. [47] In de lezingen spreekt de heilige Geest in menselijke taal, opdat ons verstand zal begrijpen en overwegen, onze wil gesterkt wordt, de daad door ons gesteld wordt . [48] Het hangt van de goddelijke genade af of deze woorden in ons leven werkelijkheid kunnen worden, maar ook van de voorbereiding en vurigheid van degene die ze leest en overweegt en ernaar luistert. «Wij worden door de Heilige Geschriften gebracht tot het stellen van deugdzame handelingen en tot de zuivere contemplatie». [49]

Hier doet zich een heel concreet punt van gewetensonderzoek en verbetering voor. Wat nemen wij iedere dag uit deze lezingen in de heilige Mis mee? Benutten wij de ogenblikken van stilte die na het evangelie voorzien zijn om de prediking van de Heer op ons toe te passen? Ik heb er vaak aan herinnerd dat «velen van ons er getuige van zijn geweest hoe de heilige Jozefmaria zich inleefde in de lezingen van de Mis; dat was aan de toon van zijn stem te horen. Veelvuldig herhaalde zich het volgende: na de heilige Mis schreef hij de zinnen die hem dieper hadden getroffen op om ze in zijn persoonlijk gebed te overwegen. Zo werden zijn ziel en zijn prediking voortdurend verrijkt. Laten wij trachten zo’n goede leermeester na te volgen. God heeft zichzelf aan ons geopenbaard opdat wij Hem meer en beter leren kennen en om Hem met natuurlijkheid en zonder menselijk opzicht aan anderen te kennen geven.» [50] De eucharistische liturgie

21. In dit deel van de heilige Mis richt de priester zich niet zozeer tot de verzamelde gelovigen. In feite zijn allen, priester en gelovigen, geestelijk en innerlijk gericht versus Deum per Iesum Christum , op God door Jezus Christus. In de eucharistische liturgie bidden priester en volk natuurlijk niet tot elkaar, maar tot de ene Heer. Daarom kijken allen gedurende het gebed in dezelfde richting, naar een beeld van Christus in de apsis, of naar een kruis of gewoon naar de hemel, zoals de Heer deed bij het priesterlijk gebed in de nacht voor Zijn Lijden . [51] Deze gemeenschappelijke aanbidding help ons zeer de Heer die komt tegemoet te gaan, onze ogen gericht op het altaarkruis.

22. Voor het Altaaroffer zijn, nauw met elkaar verenigd, gehoorzaamheid en vroomheid nodig: ze zijn ook fundamenteel vereist opdat de liturgie de bron en het hoogtepunt van het leven van de Kerk en van iedere christen kan zijn. Op de eerste plaats de gehoorzaamheid, want «de woorden en de riten van de liturgie zijn een trouwe, in de loop der eeuwen gerijpte uitdrukking van de gevoelens van Christus en ze leren ons de zelfde gevoelens te hebben als Hij (vgl. Phil. 2, 5). Door onze geest overeen te stemmen met Zijn woorden verheffen wij ons hart tot de Heer.» [52] Zie hier de diepe reden waarom wij ieder woord, ieder gebaar, iedere rubriek moeten gehoorzamen en beminnen, want zij roepen de gave van God af, ze helpen ons alter Christus, ipse Christus te worden.

Het Tweede Vaticaans Concilie heeft eraan herinnerd dat de volledige doeltreffendheid van de liturgie er ook van afhangt of iedereen, priester of gelovige,zijn ziel in overeenstemming brengt met zijn stem. [53] En Benedictus XVI heeft uitgelegd, dat in de vieringen de vox, de woorden aan onze geest voorafgaan. Gewoonlijk gebeurt dat niet zo. Eerst moet men denken en daarna wordt de gedachte omgezet in woorden. Maar hier komt het woord het eerst. De heilige liturgie geeft ons de woorden; wij moeten in deze woorden doordringen, de overeenstemming met deze realiteit die ons voorafgaat vinden. (…) Dit is de eerste voorwaarde: wij zelf moeten de structuur, de woorden van de liturgie, het woord van God verinnerlijken. Zo wordt onze viering werkelijk een vieren “met” de Kerk: ons hart is wijd geworden en wij doen niet zo maar iets, maar wij zijn “met” de Kerk in samenspraak met God . [54]

In het leven van de heilige Jozefmaria smelten de vroomheid en de gehoorzaamheid op een bewonderenswaardige manier samen, en zijn een voorbeeld van iets heel reëels: We kunnen onze grote liefde voor het heilig Misoffer niet beter uiten dan door nauwgezet, tot in de kleinste details, de door de wijsheid van de Kerk voorgeschreven liturgische bepalingen in acht te nemen. En behalve dat wij Hem liefhebben, moeten we ook de behoefte voelen op Christus te lijken, niet alleen innerlijk, maar ook uiterlijk. We moeten ons – bij de weidse ruimten van het christelijk altaar – met een ritme en een harmonie bewegen die uitdrukking geven aan de gehoorzame wil tot heiligheid, die zich vereenzelvigt met de wil van de Bruid van Christus, de Kerk; dat wil zeggen met de Wil van Christus zelf . [55]

Het zou mij verheugen als deze korte overwegingen over de structuur van de heilige Mis ons allen zouden helpen onze belangstelling te bevorderen voor de liturgie die voedsel en noodzaak is voor ons geestelijk leven. Hoe zou ik jullie er niet aan kunnen herinneren dat onze stichter reeds in dat ver teruggelegen 1930 heeft geschreven dat allen in het Werk een bijzondere inspanning moeten doen om met al hun inzet, alle en elk van de liturgische voorschriften te volgen, zelfs die die weinig of niet belangrijk lijken. Degene die bemint verliest geen enkel detail uit het oog. Ik heb het gezien: deze kleinigheden zijn iets heel groots: liefde. En de Paus tot in het kleinste gehoorzamen is hem beminnen. En de Heilige Vader beminnen is Christus beminnen en Zijn Moeder, onze Moeder de allerheiligste Maagd Maria. En wij verlangen alleen maar hiernaar: want wij houden van hun, wij willen dat omnes, cum Petro, ad Iesum per Mariam . [56] VORMING IN DE KATHOLIEKE LEER

23. Wie oprecht van God houdt, voelt zich ertoe aangezet Hem iedere keer meer en beter te leren kennen; hij stelt zich niet tevreden met een oppervlakkige omgang; hij zoekt met meer diepte alles wat met Hem te maken heeft te begrijpen. Onze ijver om deze theologische kennis te verwerven, de goede en zekere christelijke leer , komt op de eerste plaats voort uit het verlangen God te kennen en van Hem te houden. Die ijver is tevens het gevolg van de zorg van elke gelovige mens om de diepste zin te achterhalen van deze wereld, het werk van de Schepper. [57] Daarom is de vorming die het Opus Dei zijn gelovigen geeft – vanuit leerstellig perspectief beschouwd – erop gericht dat wij de leer van de Kerk verwerven en in de kennis ervan verdiepen.

De zalige Johannes Paulus II heeft met dezelfde visie – kijkend naar God en de wereld – erop gewezen dat tegenwoordig de vorming in de katholieke leer noodzakelijk is. «De doctrinaire vorming van de lekengelovigen blijkt nu steeds dringender, niet alleen vanwege de natuurlijke dynamiek van de geloofsverdieping, maar ook vanwege de eis om tegenover de wereld en haar ernstige en ingewikkelde problemen “verantwoording af te leggen van de hoop” die in hen leeft. Een systematische catechetische actie, die geleidelijk moet verlopen in verband met de leeftijd en de verschillende levensomstandigheden, en een meer besliste christelijke bevordering van de cultuur als antwoord op de eeuwige vragen die de mens en de maatschappij ook nu kwellen, worden zo absoluut noodzakelijk». [58]

Vanaf het begin van het Opus Dei en zelfs eerder heeft de heilige Jozefmaria een speciale belangstelling laten blijken voor het feit dat de personen die hij geestelijke leiding gaf dieper zouden gaan in hun leerstellige (doctrinaire) vorming, want ieder van ons moet zich naar best vermogen inspannen om zijn geloof serieus, op een wetenschappelijke manier te bestuderen . [59]

24. Zoals de heilige Gregorius de Grote heeft geschreven «is de vroomheid totaal nutteloos als het onderscheidingsvermogen dat de wetenschap geeft ontbreekt». [60] En «de wetenschap is niets als ze niet gebruik maakt van de vroomheid». [61] Onze stichter heeft erop aangedrongen dat de bestudering van de leer begeleid zou gaan van een oprecht geestelijk leven door de intieme omgang met Jezus Christus in het gebed en in de sacramenten en door een kinderlijke devotie tot de Allerheiligste Maagd Maria. Hij heeft geleerd dat de waarheid altijd in zekere zin iets heiligs is: een gave van God, een goddelijk licht dat ons op weg zet naar Degene die het Licht bij uitstek is. En dat gebeurt in het bijzonder ten aanzien van de waarheid in de bovennatuurlijke orde: we moeten dus met respect met haar omgaan, met liefde. (…) Meer nog: wij zijn ervan overtuigd dat deze goddelijke waarheid, ons te boven gaat: dat onze woorden niet toereikend zijn om heel de rijkdom ervan uit te drukken, dat het zelfs mogelijk is dat wij haar niet ten volle begrijpen en dat wij de rol spelen van iemand die een boodschap doorgeeft die hijzelf niet helemaal begrijpt . [62]

De inspanning die de Prelatuur zich getroost om al haar gelovigen en veel anderen een serieuze leerstellige vorming te geven is de moeite waard; meer nog op momenten zoals die van tegenwoordig waar deze noodzaak duidelijker te merken is. De uitspraak van onze stichter vele jaren geleden is een vreugdevolle werkelijkheid gebleken: het hele Werk staat gelijk aan een grote catechese, die op een levendige, eenvoudige en directe manier midden in de burgermaatschappij wordt gegeven . [63] Trouw aan het Leergezag en vrijheid in alles wat opinabel is

25. De leerstellige vorming omvat alle gebieden: vanaf de filosofie tot de theologie en het canoniek recht enz. Deze vorming – die in het geval van de numerair(e)s en van veel geassocieerden de programma´s omvat die op de pauselijke universiteiten worden onderwezen – beoogt dat er in alle lagen van de maatschappij mensen zijn die vastbesloten zijn een levend getuigenis te geven van het Evangelie, in woord en daad: altijd bereid – zoals sint Petrus schrijft – tot verantwoording aan al wie u rekenschap vraagt van de hoop die in u leeft (1 Petr. 3, 15).

Overeenkomstig de vaak herhaalde richtlijnen van het Leergezag krijgt de leer van de heilige Thomas van Aquino bij de uiteenzetting van de verschillende filosofische en theologische thema´s bijzondere nadruk. Zo wordt de aanbeveling van het Tweede Vaticaans Concilie en van verscheidene pausen opgevolgd: «Verdiepen in de geloofsmysteries en hun onderlinge band ontdekken (…) in het licht van de leer van de heilige Thomas van Aquino». [64]

De heilige Jozefmaria heeft zich aan deze richtlijn gehouden en het altijd zo aan de docenten van het Studium Generale van de Prelatuur voorgehouden. Tegelijkertijd heeft hij met een mentaliteit die openstond voor de wetenschap van de theologie uitgelegd dat deze aanbeveling niet zo opgevat mag worden dat wij ons ertoe moeten beperken ons alle en alleen maar de onderrichtingen van de heilige Thomas eigen te maken en te herhalen. Het gaat om iets heel anders: natuurlijk moeten wij de leer van de Engelachtige Leraar in ere houden, maar op dezelfde manier als hij dat zou doen als hij vandaag zou leven. Daarom zal men soms verder moeten ontwikkelen wat hij zelf slechts kon beginnen; en daarom ook maken wij ons alle inzichten van andere schrijvers eigen die met de waarheid overeenkomen . [65]

Ik heb jullie net met woorden van onze Vader een wezenlijke eigenschap van de geest van het Opus Dei in herinnering gebracht: dat wij corporatief geen andere leer hebben dan die, die het Leergezag van de Heilige Stoel onderwijst. Wij aanvaarden alles wat dit Leergezag aanvaardt en verwerpen alles wat het verwerpt. Wij geloven vast alles wat het ons als geloofswaarheid voorhoudt en wij maken ons ook alles eigen wat tot de katholieke leer behoort . [66] En binnen de ruimte die deze leer laat, vormt iedereen van ons zijn persoonlijke mening . [67] Volgens de Statuten van de Prelatuur is het niet toegestaan dat het Opus Dei – zoals onze stichter heeft gezegd – een eigen filosofische of theologische school vormt of aanhangt. [68] Dit drukt, behalve de liefde voor de vrijheid, een fundamenteel ecclesiologisch realiteit uit: dat de gelovigen van de Prelatuur gewone christengelovigen zijn, of respectievelijk gewone seculiere priesters, met dezelfde ruimte voor vrijheid van mening als de overige katholieken.

VORMING VOOR HET APOSTOLAAT

26. De diepe kennis van de basiswaarheden van het geloof alsook van de ethische en morele aspecten die nauwer te maken hebben met het eigen werk is eveneens belangrijk om een uitgebreid apostolaat te verwezenlijken in het beroep dat iedereen uitoefent. Het licht van hen die Jezus Christus volgen moet niet onder de korenmaat staan maar boven op de berg schitteren: Opdat men uw goede werken ziet en men uw Vader verheerlijkt die in de hemel is (Mt. 5, 16) . [69]

Er zijn zeker genoeg mensen met een groot hart, in staat om verliefd te worden op God, maar wie het licht ontbreekt van de leer die oriënteert en zin aan hun leven geeft. De christenen komt de plicht en de vreugde toe hun deze leer mee te delen. Een passage uit het Nieuwe Testament laat dat duidelijk uitkomen. De diaken Filippus volgde een opdracht van de Heilige Geest op en was op reis naar Gaza. Op de weg daarheen reed een reiskoets waarin een hoogwaardigheidsbekleder, minister van de koningin van Ethiopië, naar zijn land terugging na in Jeruzalem God aanbeden te hebben. Toen Filippus er naar toe gegaan was, hoorde hij hem de profeet Jesaja lezen. Hij vroeg hem: ’Begrijpt ge wat ge leest?’ Maar de Ethiopiër antwoordde: ’Hoe zou ik dat kunnen, als niemand mij daarin behulpzaam is?’ Hij nodigde Filippus uit in te stappen en bij hem te kommen zitten. (Hand. 8, 30-31).

Het is de taak van de katholieken de blijde boodschap van Jezus met vrede en volharding te verkondigen en de religieuze onwetendheid door de verspreiding van de geopenbaarde leer uit de weg te ruimen. Het christelijk apostolaat – en ik spreek nu heel concreet over dat van een doodgewone christen, over dat van de man of vrouw die leeft zoals zijn of haar gelijken – is één grote catechese, waarin de dorst naar God in de ander wordt gelegd door middel van de persoonlijke omgang, door een echte en loyale vriendschap. Zo helpen we hen een nieuwe horizon ontdekken, op een natuurlijke, eenvoudige manier (zei ik al), met het voorbeeld van een goed beleefd geloof, met een vriendelijk woord, dat echter doordrenkt is van de kracht van de goddelijke waarheid. [70]

Wij moeten de waarheid van Christus vol vuur verspreiden en maken dat anderen deel hebben aan de schat die wij hebben ontvangen, opdat ze ervaren dat er niets prachtiger is dan door het evangelie, door Christus te zijn aangeraakt en te zijn overrompeld. Er bestaat niets schoners dan Hem te kennen en de vriendschap met Hem aan anderen mee te delen . [71]

27. In het decreet over het lekenapostolaat onderricht het Tweede Vaticaans Concilie dat «het apostolaat alleen dan ten volle doeltreffend kan zijn, als er veelzijdige en volledige vorming mee gepaard gaat; dat is niet alleen nodig voor de voortdurende geestelijke vooruitgang en groei in geloofskennis van de leek zelf, maar ook de verscheidenheid van zaken, personen en taken waaraan zijn activiteit zich heeft aan te passen, vraagt erom. (…) Naast de vorming die alle christenen nodig hebben, vragen niet weinig vormen van apostolaat een specifieke en bijzondere vorming vanwege de veelzijdigheid van personen en omstandigheden.» [72]

In de laatste jaren is voor deze inzet voor de zielen meer kracht nodig om het secularisme tegen te gaan dat enorm is gegroeid, zozeer zelfs dat het in landen die van huis uit christelijk zijn gemeengoed is geworden. Het doel van de nieuwe evangelisatie is nu juist deze landen weer te doordrenken met de geest van Christus. [73] In de Prelatuur is dit werk erop gericht iedereen te oriënteren en te stimuleren om de opdracht tot evangeliseren die met het doopsel ontvangen wordt te verwezenlijken met de geest en de specifieke middelen van het Opus Dei, door middel van het apostolaat van vriendschap en vertrouwen .

Johannes Paulus II benadrukte dat de wereld « om geloofwaardige evangelisten vraagt, in wier leven de schoonheid van het Evangelie schittert , samen met het kruis en de verrijzenis van Christus. (…) Iedere gedoopte moet als getuige van Christus de vorming verwerven die bij zijn situatie past opdat in een milieu dat zo vijandig is als het secularisme het geloof niet alleen niet verslapt door verwaarlozing, maar het getuigenis van het geloof volhoudt en voedt.» [74] Persoonlijk apostolaat van vriendschap en vertrouwen

28. Christus is op deze aarde gekomen opdat alle zielen het eeuwig leven kunnen bereiken en Hij wil daarbij op Zijn leerlingen rekenen: ut eatis , gaat op tocht – zegt Hij ook tegen ons christenen, zoals tegen de apostelen – en brengt vruchten voort die blijvend mogen zijn (vgl. Joh. 15, 16). Daarom, mijn kinderen, moeten wij Zijn leer in de meest verschillende milieus verspreiden, aangezien wij omwille van de Heer geïnteresseerd zijn in alle zielen. Maar het is logisch dat wij beginnen bij degenen die God dicht bij ons heeft geplaatst.

Zoals ik jullie heb gezegd, geven wij in de Prelatuur van het Opus Dei prioriteit aan wat de heilige Jozefmaria apostolaat van vriendschap en vertrouwen noemde: een persoonlijke omgang waarin het ene hart in het andere zijn kennis van en liefde voor Christus uitstort en zo vergemakkelijkt dat dit zich voor de zachte impulsen van de genade openstelt.

De vriendschap veronderstelt – en schept tegelijkertijd – een gemeenschap van gevoelens en verlangens. Maar «waar deze gemeenschap voornamelijk wordt verwezenlijkt is in de omgang met elkaar. (…) Vandaar dat het eigen is aan de vriendschap om met elkaar om te gaan» [75] . Met deze omgang wordt de eerste stap op de weg van de vriendschap gezet. Daarom bereidt het ons vreugde de gelegenheden te benutten die het beroepswerk en sociale leven ons bieden om nieuwe vrienden te maken, met het verlangen hen te helpen en, eveneens, van hen te leren: vriendschap komt wezenlijk van twee kanten. Onze Vader heeft ons aangespoord ons te gedragen als Christus die bij de mensen langskomt , via de weg van het gewone leven. Om op aarde nog steeds vrienden te maken wil de Heer zich van ons bedienen; van onze omgang met de mensen, van dit vermogen van ons om te beminnen en ons te doen beminnen dat Hij zelf ons heeft gegeven . [76]

De belangrijkste eigenschap van deze manier van dienen is de noodzaak zich te kunnen aanpassen aan de capaciteit en mentaliteit van iedereen, zodat men begrijpt wat men hoort. De heilige Jozefmaria noemde deze inspanning om zich te doen begrijpen de gave van talen , die ontstaat als vrucht van de genade, van het gebed en van onze persoonlijke voorbereiding, opdat de leer van de Kerk in de oren van de mensen als nieuw klinkt. We moeten hetzelfde herhalen, maar op verschillende manieren. Het is de vorm die altijd nieuw, anders moet zijn; niet de leer . [77]

Het gaat erom, net als Jezus te doen, die de meest verheven onderrichtingen uiteen gezet heeft door middel van parabels, van vergelijkingen die iedereen – elk op zijn eigen niveau – kon begrijpen. Laten wij het verlangen bevorderen de christelijke waarheden op een aantrekkelijke manier uiteen te zetten: uw spreken zij steeds innemend, met een vleugje zout erbij, zodat gij iedereen het juiste antwoord weet te geven ( Kol. 4, 6). Het gaat niet om een formaliteit, of om te laten zien hoe veel wij weten, maar om inhoudelijk te spreken, de eer van God en het welzijn van de zielen zoekend.

29. In deze context blijkt een diepgaande kennis van de Heilige Schrift – van het Oude en van het Nieuwe Testament – de vrucht van gedegen lezing en aandachtige overweging, van fundamenteel belang. Onlangs heeft Paus Benedictus XVI daaraan herinnerd, in de apostolische exhortatie Verbum Domini over het Woord van God in de zending van de Kerk. De Paus noemt daarin – naast andere grote heiligen aan wie de Heer bijzondere inzichten heeft geschonken om in de spirituele betekenis van de Bijbel te verdiepen – de heilige Jozefmaria en zijn prediking over de universele roeping tot heiligheid . [78] De paus schrijft dat een belangrijk ogenblik van de pastorale bezieling van de Kerk waarop men de centrale plaats van het Woord van God op een verstandige wijze opnieuw kan ontdekken, is de catechese, die in haar verschillende vormen en fases altijd het volk van God moet begeleiden. [79] En hij laat zien hoe de ontmoeting van de leerlingen van Emmaüs met Jezus, die door de evangelist Lucas wordt beschreven (vgl. Lc. 24, 13-35) vertegenwoordigt in zekere zin het model van een catechese in het middelpunt waarvan de “uitleg van de Schriften” staat, die alleen in Jezus is te geven (vgl. Lc. 24, 27-28) door de vervulling ervan in Hemzelf te laten zien. Zo wordt de hoop opnieuw geboren die sterker is dan alle nederlagen en die van de leerlingen overtuigde en geloofwaardige getuigen maakt van de Verrezene . [80] Moeten jullie bij deze woorden niet denken aan de vreugdevolle bewering van onze Vader dat Emmaüs nu de hele wereld is, want de Heer heeft de goddelijke wegen van de aarde ontsloten ? [81]

Herinner je hoe hij ons de onderrichtingen van deze passage van Sint Lucas heeft doorgegeven. Hij zei daarover dat heel het leven van Christus een goddelijk model is dat wij moeten navolgen, maar wat de evangelist ons vertelt van de scène van Emmaüs heel bijzonder voor ons is bedoeld . [82] Hij bediende zich ook van deze passage van het Evangelie om ons te spreken over het persoonlijk apostolaat van vriendschap en vertrouwen. Hij legde de nadruk op een belangrijk kenmerk: het is nodig het initiatief te nemen, de mensen tegemoet te gaan om hun onze vriendschap aan te bieden en hen te helpen in hun zoeken naar God, waarbij wij de intimiteit en vrijheid van iedereen respecteren en verdedigen.

Onderweg naar Emmaüs gaat de verrezen Christus op zoek naar twee leerlingen die naar huis terugkeerden, ontmoedigd door de smartelijke gebeurtenissen die ze hadden meegemaakt: het lijden en de dood van hun Heer. Dit gebaar van Jezus leert ons dat de vriendschap ertoe brengt deel te nemen in de vreugden en het verdriet van onze vrienden, dat wij solidair zijn en tijd aan hen besteden. Christus is onderweg met deze twee mensen die bijna alle hoop verloren hebben en wier leven zinloos dreigt te worden. Hij begrijpt hun smart, dringt binnen in hun hart en laat hen deelnemen aan het leven dat in Hem woont . [83] Op dezelfde manier moeten wij delen in de zorgen, de verwachtingen, de moeilijkheden van degenen met wie wij omgaan, terwijl we niet anders zijn dan onze collega’s en door niets van hen gescheiden zijn: een prachtige eigenschap van de geest van het Werk, die niemand van zijn plaats haalt en ons oproept in de wereld te zijn zonder werelds te zijn.

Zo horen wij ons te gedragen in het milieu waarin wij vertoeven, zonder uit het oog te verliezen dat – als wij trouw zijn – Jezus Christus in ons handelt en zich wenst te bedienen van ons voorbeeld en woord om andere mensen te bereiken, terwijl zij ons tegelijkertijd verrijken met hun vriendschap. Er is niets logischer dan dat echte vrienden elkaar in hun vreugde en verdriet doen delen, in hun doen en laten en vanzelfsprekend in de grootste schat die een christen bezit: namelijk het leven van Christus. We zullen met hen over God praten, over de vreugde Hem in onze ziel in staat van genade te hebben, over de onmetelijke waarde die alleen Hij aan een menselijk bestaan kan schenken.

Door zo te handelen werken de christenen doeltreffend mee in de evangelisatieopdracht van de Kerk, door Christus een plaats te geven in het hart en de ziel van hun vrienden om eraan bij te dragen dat het Kruis op de top van alle menselijke activiteiten wordt geplaatst.

Apostolaat van het gezin en met de jeugd

30. Er zijn veel activiteiten die bijdragen aan het versterken van de uitbreiding van het Rijk Gods. Maar sommige zijn objectief gezien van groter belang, afhankelijk van de behoeften van elke tijd en plaats. Het gezin, de vorming van de jeugd, de wereld van de cultuur vormen voor een groot deel de uitdaging van de nieuwe evangelisatie die door de paus wordt gestimuleerd.

Het gezin heeft een dringende behoefte aan de herbevestiging van zijn oorspronkelijke waarde, door God bij de schepping gewild. Ongelukkigerwijze doen de gewoontes en burgerwetten van veel landen moeite dit te bederven. Het is een taak van kapitaal belang, waarin wij katholieken op een lijn zitten met mensen van andere godsdiensten, of zonder enige godsdienst, die beseffen dat de bescherming van het gezin – liefdesgemeenschap tussen een man en een vrouw, onontbindbaar en open voor het leven – een onvervangbare zuil vormt voor de juiste ordening van de maatschappij en een belangrijk fundament is voor het bereiken van menselijke rijpheid en geluk. Behalve wat wij kunnen bijdragen in samenwerking met andere mensen, kan men op persoonlijk vlak bijvoorbeeld echtgenoten helpen elkaar te vergeven en beter te begrijpen dat hun leven overgave aan de ander is. En als het om een christelijk huwelijk gaat, dat ze begrijpen dat ze deelnemen in een mysterie: in de vereniging van Christus met Zijn Kerk. Deze trouw van allebei, uiting van de ware liefde door de tijd heen, is ook hun weg om in de hemel te komen.

Het apostolaatwerk met de jeugd zal altijd een vitale uitdaging voor de wereld en voor de Kerk zijn, want in deze jaren worden degenen gevormd die de richting waarin de maatschappij zich beweegt zullen bepalen en deze zullen doen voortgaan over de wegen die door de Schepper en Verlosser zijn uitgezet.

Op dit gebied krijgt het apostolaat van het vermaak en van het goed gebruik van de vrije tijd een bijzondere betekenis. Ik beperk me ertoe jullie in herinnering te brengen wat ik jullie in 2002 heb geschreven: dat het nodig is «de gewoontes, de wetten, de mode, de communicatiemiddelen en de artistieke uitingen qua inhoud christelijk te maken. Allemaal aspecten die zich in het hart van de strijd voor de nieuwe evangelisatie van de maatschappij bevinden en waartoe de Paus zonder ophouden de christenen oproept». [84] Apostolaat en cultuur

31. De wijde wereld van het denken en van de cultuur, van de wetenschappen, de letteren en de techniek blijft een bevoorrecht gebied dat verlicht moet worden door het licht van het evangelie. «De christenen moeten dus een geloof hebben waardoor ze kritisch kunnen staan tegenover de huidige cultuur en de verleidingen hiervan kunnen weerstaan; waardoor ze een doeltreffende invloed kunnen uitoefenen in de culturele, economische, sociale en politieke milieus; waardoor ze kunnen laten zien dat de gemeenschap tussen de gelovigen van de katholieke Kerk en de andere christenen sterker is dan welke etnische band ook; waardoor ze vol vreugde het geloof aan de nieuwe generaties kunnen doorgeven en een christelijke cultuur kunnen vormen die in staat is de hele cultuur waarin wij leven te evangeliseren.» [85]

De apostolische ondernemingen van het Werk zijn een oeverloze zee . Wij willen voor iedere mens onze armen wijd openen, zoals Christus aan het Kruis. Vandaar onze inspanning om degenen die het verst van God verwijderd zijn te bereiken, zoals de heilige Jozefmaria ons heeft geleerd. Hij had een bijzondere voorliefde – zoals hij ons vaak herinnerde – voor het apostolaat ad fidem . Onze Vader heeft ons aangespoord ons bijzonder in te zetten voor het apostolaat ad gentes , met de ongelovigen. (…) Op de eerste plaats – ik zal herhalen wat ik altijd al zeg – met een oprechte, loyale, menselijk goede vriendschap . [86] In een wereld die gekenmerkt wordt door globalisering ontstaan bij de uitoefening van het beroepswerk veelvuldige relaties met mensen van verschillende achtergrond. Hierdoor is het makkelijk om in gesprek te komen met mensen van andere godsdiensten en overtuigingen, met het streven in hen het verlangen op te wekken God beter te kennen. Wij zullen zelfs degenen helpen die een negatieve houding vertonen ten opzichte van de katholieke kerk, als wij trachten met zachtmoedigheid, geduld, begrip en genegenheid met hen om te gaan.

Benedictus XVI heeft in een toespraak tot de Romeinse Curie gezegd: Ik vind het vooral belangrijk dat wij ons als gelovigen ook interesseren voor de mensen die van zichzelf zeggen dat ze agnostisch en atheïstisch zijn. Wanneer wij het hebben over een nieuwe evangelisatie schrikken deze personen misschien wel. Zij willen zichzelf niet beschouwen als object van apostolaat, noch afstand doen van hun vrijheid van denken en willen. Maar ook in hen bestaat het verlangen naar God, al kunnen ze niet geloven dat God zich concreet met ons bezighoudt . [87]

Hoewel slechts sommigen speciaal aan initiatieven van dit soort deelnemen voelen wij de plicht deze mensen te steunen met ons gebed. Want iedereen van ons, kinderen van God in de Kerk, wil alleen leven om de Naam van de Heer onder alle volkeren en culturen tot in de verste uithoeken der aarde te verspreiden (vgl. Hand . 9, 15).

BEROEPSVORMING

32. Het is duidelijk dat in de Prelatuur een goede voorbereiding op het beroep bevorderd wordt, omdat het gewone werk volgens de geest van het Opus Dei de spil voor onze persoonlijke heiligheid vormt en het normale kader voor het apostolaat van de gelovigen. De studie, de beroepsvorming op welk gebied dan ook, is voor ons een zware plicht. [88] Het Leergezag van de Kerk heeft nog niet zo lang geleden het thema van het werk opgepakt – en wij allen denken bij het lezen hiervan aan de prediking van de heilige Jozefmaria sinds 1928 – als gebied voor de lekengelovigen om de heiligheid te zoeken. Er is aangedrongen op «de vorming van een spiritualiteit van de arbeid die voor alle mensen een hulpmiddel en een weg is om dichter bij God, de Schepper en Verlosser, te komen om deel te hebben aan Zijn heilsplan voor de mens en de wereld en om in hun leven de vriendschap met Christus te verdiepen.» [89] Werk en eenheid van leven

33. In de homilie De wereld hartstochtelijk beminnen heeft de heilige Jozefmaria aangedrongen op het belang van de eenheid van leven in de christen, die de vroomheid, de arbeid en het apostolaat harmonieus met elkaar verenigt. Voortdurend heb ik het onderwezen met woorden uit de heilige Schrift: de wereld is niet slecht, want zij is voortgekomen uit de handen van God, want zij is zijn scheppingswerk, want Jahweh keek ernaar en zag dat het goed was (vgl. Gen 1,7 e.v.). Wij mensen zijn het die met onze zonden en ontrouw de wereld slecht en lelijk maken. Jullie hoeven er niet aan te twijfelen: voor jullie, mannen en vrouwen van de wereld, staat elke vlucht uit de eerlijke werkelijkheid van het leven van alledag haaks op de wil van God. Jullie moeten je er nu opnieuw goed van bewust zijn, dat God jullie roept om Hem juist in en vanuit de burgerlijke, materiële, wereldlijke taken van het menselijke leven te dienen: in het laboratorium, in de operatiekamer, in de kazerne of op de leerstoel van een universiteit, in de fabriek, in de werkplaats, op het land, in de huishouding, in heel dit immense panorama van het dagelijks werk wacht God elke dag weer op ons. Beseft het goed: in elke situatie, hoe alledaags ook, is iets heiligs, iets goddelijks te vinden. Aan jullie de taak dat te ontdekken. (…) Een andere weg is er niet. Of we leren de Heer in ons dagelijks leven ontdekken of we zullen Hem nooit vinden. Onze tijd heeft het nodig dat aan de materie en aan heel gewoon lijkende situaties hun edele en oorspronkelijke zin teruggegeven wordt, dat ze in dienst van Gods rijk gesteld worden en dat ze vergeestelijkt worden door er een middel en een gelegenheid van te maken om Christus voortdurend te ontmoeten. [90]

De vorming die de Prelatuur biedt is erop gericht de noodzakelijke bovennatuurlijke geest te bevorderen opdat een ieder zich inspant zijn werk te verrichten met de grootst mogelijke menselijke volmaaktheid en met het verlangen te dienen door het om te zetten in een instrument van heiligheid en apostolaat. Daarvoor moeten wij ons inspannen om het nodige beroepsprestige onder onze collega’s te verwerven, dat men verkrijgt door in de loop der jaren moeite te doen en toewijding te laten blijken. Iedereen ontvangt deze specifieke vorming net als de overige burgers: op de universiteit, in technische scholen, in werkplaatsen enz. waar men studeert of een beroep leert. De geest van het Werk zet ons ertoe aan deze vorming bij te houden en met volharding te verbeteren. Wij allen voelen ons totaal vrij, zowel op het moment van het kiezen van een beroep alsook in de uitoefening ervan. Het Werk wijst alleen op de manier om zich in deze taken te heiligen, zonder zich te mengen in de beroepsaangelegenheden van een ieder.

Het soort werk dat men uitvoert doet er niet toe, als het maar eerzaam is: wat is belangrijker: professor aan de Sorbonne zijn of werk in de huishouding doen? Ik zal je zeggen wat het belangrijkste is, dat jij heilig wordt door je werk te heiligen . [91] En hij voegde er op een ander moment aan toe: als ik het heb over de schoonmaaksters van de Universiteit van Navarra, en zeg dat ik niet weet of hun werk net zo belangrijk of belangrijker is dan dat van het bestuur, is dat geen toneel: ik herhaal eenvoudig wat ik altijd al heb gedacht. De taak van een van deze vrouwen die met vreugde haar werk verricht en alles doet uit liefde, kan heldhaftig, niets alledaags zijn; en vanzelfsprekend doeltreffender dan dat van een onderzoeker die alleen uit is op het publiceren van zijn studies. Ik herhaal: wat meer waard is, hangt af van de liefde en van het offer waarmee men zijn eigen werk verricht, maar wel met een blij, vreugdevol en vrijwillig offer. Als dat niet zo zou zijn is het beter het niet te doen . [92]

Alle katholieken hebben de plicht om alles te doen wat in hun macht ligt opdat Christus daadwerkelijk heerst in de maatschappij, en deze heilige verlangens blijken ook uit de zorg om het nodige beroepsprestige te verwerven, de standaard, zodat het licht van Christus schittert (vgl. Mc. 4, 21).

De studenten van hun kant moeten de plicht voelen goede cijfers te halen. Vergeet niet die overweging die de heilige Jozefmaria in De Weg heeft geschreven en die de leidraad is geweest voor veel generaties jongeren in de hele wereld: een uur studie is, voor een modern apostel, een uur gebed . [93] Zuivere bedoelingen

34. Terwijl wij onze beroepsvorming verzorgen moeten we er ook aan denken dat de beroepsarbeid – welke dan ook – voor ons altijd een middel is om de heiligheid te bereiken en voor het apostolaat te zorgen. Het is nodig dit in onze huidige tijd niet uit het oog te verliezen, want in de maatschappij van tegenwoordig, die hogelijk competitief is, is het gemakkelijk aan ons beroep voorrang te geven boven alle andere plichten jegens God, het eigen gezin en de anderen. Ik dring er met onze Vader bij jullie op aan: werkt met het oog op God, zonder naar menselijke eer te streven. Sommigen zien in het werk een middel om eer te behalen of om macht of rijkdom te verwerven die hun persoonlijke ambitie bevredigen, of om zich trots te voelen over hun eigen werkcapaciteit. Wij kinderen van God in Zijn Opus Dei zien in ons beroepswerk nooit iets dat te maken heeft met ons egoïsme, onze ijdelheid of hoogmoed: wij zien slechts een mogelijkheid alle mensen uit liefde tot God te dienen . [94] Daarom, zo voegde hij eraan toe: is een goede indicatie voor de zuiverheid van jullie bedoelingen juist de manier waarop jullie de sociale of vriendschapsrelaties die ontstaan uit het uitoefenen van jullie beroep benutten om deze zielen dichter tot God te brengen en – als jullie hiertoe aanleiding zien – met hen over een mogelijke roeping te spreken. [95]

In het kader van de beroepsvorming moeten we erop gericht zijn de thema’s van de katholieke leer die specifiek met ons eigen beroep te maken hebben of bijzonder actueel zijn in ons land, goed te kennen. Misschien verschillen ze van de ene tot de andere plaats, maar sommige gelden overal; bijvoorbeeld de thema’s met betrekking tot huwelijk en gezin, de opvoeding, het “evangelie van het leven”, de bio-ethiek, de rechtvaardigheid en de naastenliefde in de beroepsrelaties…. Daarom moeten wij allen een voorbeeld geven van rechtschapenheid in de vervulling van onze beroeps-, gezins- en sociale plichten, want dit is een geloofwaardig getuigenis. «Als gevolg van jullie menselijke en christelijke rechtschapenheid – heb ik jullie geschreven – zullen bovendien in de milieus waarin jullie verkeren veel initiatieven ontstaan om concrete sociale problemen op te lossen, in een edele en broederlijke samenwerking met andere personen van goede wil. Op dit moment verhef ik mijn hart in dankbaarheid tot Onze Lieve Heer omdat er – met hulp van veel katholieke en niet katholieke medewerkers – rond de Prelatuur projecten uitgevoerd worden van solidariteit met de minderbedeelden, die bijdragen aan het vestigen van rechtvaardigheid en vrede in de wereld. Hiermee wordt onder tienduizenden – zoals onze Vader zei – de sterke en vredebrengende balsem van de liefde ( Als Christus nu langskomt , nr. 183) verspreid». [96] Spontaniteit in het apostolaat 35. Mijn kinderen, ik heb jullie opnieuw willen voorhouden dat het de enige ambitie, het enige verlangen van het Opus Dei en van iedereen van zijn kinderen is, de Kerk te dienen zoals Zij gediend wil worden, binnen de specifieke roeping die de Heer ons heeft gegeven . [97] De heilige Jozefmaria heeft regelmatig over het Opus Dei gezegd, dat het een ongeorganiseerde organisatie is, omdat onze, door God gewilde, specifieke manier om in de zending van de Kerk mee te werken erin bestaat de mensen vorming te geven, in de verschillende aspecten. Men kan zeggen dat de Prelatuur van het Opus Dei al zijn krachten aan deze taak, aan deze catechese wijdt. Vervolgens tracht ieder van jullie afzonderlijk, met de bagage van deze ontvangen en geassimileerde vorming, met persoonlijke vrijheid en verantwoordelijkheid in de bloedsomloop van de samenleving het levenssap van de christelijke geest te pompen.

Als antwoord op de vraag van een journalist over dit zo karakteristieke aspect van het Werk heeft onze Vader uitgelegd dat de persoonlijke apostolische spontaneïteit en het vrije, door eigen verantwoordelijkheid gedragen en door de Heilige Geest geïnspireerde initiatief voor ons van fundamentele en primaire betekenis zijn. Het gaat ons niet om een door en door gestructureerde organisatie, tactische richtlijnen en van boven af opgelegde plannen . [98]

Alvorens te eindigen, keer ik terug tot het wezenlijke: dat wij ons dag in dag uit inspannen in onze christelijke toewijding aan God en de naasten. Laten we de grootste moeite doen om mannen en vrouwen te zijn die heel trouw zijn aan de paus, door continu voor zijn persoon en intenties te bidden. Laten we met hart en ziel verbonden zijn met de bisschoppen en met alle katholieken. We moeten vervuld zijn van optimisme en dankbaarheid jegens de Heer bij het deelnemen aan de nieuwe evangelisatie. Laten we onze toevlucht nemen tot de voorspraak van de Allerheiligste Maagd Maria, Koningin van de wereld en Moeder van de Kerk, opdat Zij ons van de hemel de nodige genaden verkrijgt.

Als bijzondere voorspreker voor heel dit vormingswerk hebben wij natuurlijk de heilige Jozefmaria, die met zijn leven en onderricht de geest die hij op 2 oktober 1928 van God ontvangen heeft, ons in een duidelijke vorm heeft nagelaten, opdat zijn kinderen en vele andere mensen over alle wegen op aarde kunnen gaan om ze met de genade van de Heilige Geest goddelijk te maken.

Met alle genegenheid zegent jullie

jullie Vader

+ Javier

Rome, 2 oktober 2011

INHOUDSOPGAVE

VORMING TEN BEHOEVE VAN DE NIEUWE EVANGELISATIE 2 Zoals de eerste christenen. 2 Noodzaak en belang van de vorming. 3 Vrijheid, volgzaamheid, verantwoordelijkheidsgevoel5 MENSELIJKE VORMING.. 7 Matigheid. 9 Sterkte. 11 Goede manieren. 12 Omgangsvormen van de priesters. 14 GEESTELIJKE VORMING.. 16 Zich met Jezus Christus vereenzelvigen. 16 De middelen. 18 Het Sacrament van boete en verzoening. 21 Geest van initiatief en volgzaamheid. 22 Nederigheid en prudentie bij het geven van geestelijke leiding 24 De liturgische vorming. 27 De liturgie van het woord. 28 De eucharistische liturgie. 30 VORMING IN DE KATHOLIEKE LEER.. 32 Trouw aan het Leergezag

en vrijheid in alles wat opinabel is. 35

VORMING VOOR HET APOSTOLAAT.. 36

Persoonlijk apostolaat van vriendschap en vertrouwen. 39

Apostolaat van het gezin en met de jeugd. 43

Apostolaat en cultuur45

BEROEPSVORMING.. 47

Werk en eenheid van leven. 47

Zuivere bedoelingen. 50

Spontaniteit in het apostolaat52

Copyright © Prælatura Sanctæ Crucis et Operis Dei

[1] Benedictus XVI, Encycliek Spe salvi , 30-11-2007, nr. 2.

[2] Vgl. Benedictus XVI, apost. Brief Ubicumque et semper , 21-9-2010.

[3] Benedictus XVI, homilie in de Mis ter afsluiting van de Wereldjongerendagen, 21-8-2011.

[4] Heilige Jozefmaria, Gesprekken , nr. 24.

[5] Heilige Jozefmaria, Brief 6-5-1945 , nr. 19.

[6] Heilige Jozefmaria, Brief 24-3-1931 , nr. 9.

[7] Heilige Jozefmaria, De Weg , nr. 372.

[8] Heilige Jozefmaria, aantekeningen van een familiebijeenkomst, 18-6-1972.

[9] Heilige Augustinus, Preek , 169, 13 (PL 38, 923).

[10] Heilige Jozefmaria, aantekeningen van een familiebijeenkomst, 1963.

[11] Heilige Jozefmaria, Vrienden van God , nr. 24.

[12] Ibid. , nr. 26.

[13] Ibid. [14] Heilige Jozefmaria, Brief 9-1-1932 , nr. 28.

[15] Johannes Paulus II, apost. exhort. Christifideles laici , 30-12-1988, nr. 63.

[16] Geloofsbelijdenis van Athanasius. [17] 2e Vat. Concilie, decr. Apostolicam actuositatem , nr. 4

[18] Heilige Jozefmaria, Vrienden van God , nr. 74.

[19] Ibid. , nr. 84

[20] Ibid. [21] Heilige Jozefmaria, aantekeningen van een familiebijeenkomst, 28-11-1972.

[22] Catechismus van de Katholieke Kerk , nr. 1808.

[23] Heilige Jozefmaria, Vrienden van God , nr. 77.

[24] Benedictus XVI, toespraak bij het Angelus, 28-10-2007.

[25] Vgl. Heilige Jozefmaria, De Weg , nr. 380.

[26] Johannes Paulus II, toespraak tot een groep bisschoppen bij hun ad limina bezoek, 18-11-1999.

[27] Don Álvaro del Portillo, Geschriften over het priesterschap , Rialp, Madrid, 6e ed. 1990, p. 24.

[28] Heilige Jozefmaria, Brief 8-8-1956 , nr. 47.

[29] Johannes Paulus II, apost. Exhort. Christifideles laici , 30-12-1988, nr. 60.

[30] Benedictus XVI, apost. Exhort. Sacramentum caritatis , 22-2-2007, nr. 64.

[31] Heilige Jozefmaria, De Weg , nr. 947.

[32] Heilige Jozefmaria, aantekeningen van een familiebijeenkomst 30-10-1964.

[33] Johannes Paulus II, homilie, 19-8-1979.

[34] Vgl. Johannes Paulus II, apost. Const. Ut sit , 28-11-1982.

[35] Vgl. heilige Jozefmaria, La Abadesa de las Huelgas. [36] Heilige Jozefmaria, aantekeningen van een meditatie, 31-12-1970.

[37] Heilige Jozefmaria, Gesprekken , nr. 93.

[38] Heilige Jozefmaria, Vrienden van God , nr. 15.

[39] Ibid., nr. 188 . [40] Heilige Jozefmaria, Als Christus nu langskomt , nr. 135.

[41] Heilige Jozefmaria, Brief 6-5-1945 , nr. 35.

[42] Heilige Jozefmaria, Vrienden van God , nr. 157.

[43] Ibid. , nr. 161.

[44] Vgl. 2e Vat. Conc., const. , nr. 2.

[45] Heilige Jozefmaria, Als Christus nu langskomt , nr. 87.

[46] Vgl. Benedictus XVI, enc. Spe salvi , 30-11-2007, nr. 2.

[47] Vgl. Algemeen Statuut van het Romeins Missaal , nr. 55.

[48] Heilige Jozefmaria, Als Christus nu langskomt , nr. 89.

[49] Heilige Johannes Damascenus, Uiteenzetting over het zuivere geloof , IV, 17 (PG 94, 1175).

[50] Vivir la Santa Misa , Rialp, Madrid 2010, pp. 65-66.

[51] Joseph Ratzinger-Benedictus XVI, Opera omnia , vol XI, prefatie.

[52] Congregatie voor de goddelijke Eredienst en de van de sacramenten, instr. Redemptionis sacramentum , 25-3-2004, nr. 5.

[53] Vgl. 2e Vat. Conc., const. Sacrosanctum Concilium , nr. 11.

[54] Benedictus XVI, Ontmoeting met priesters in het bisdom Albano, 31-8-2006.

[55] Heilige Jozefmaria, De Smidse , nr. 833.

[56] Heilige Jozefmaria, Apuntes íntimos , nr. 110 (17-11-1930). Geciteerd door don Álvaro del Portillo, Brief , 15-10-1991.

[57] Heilige Jozefmaria, Als Christus nu langskomt , nr. 10.

[58] Johannes Paulus II, exhort. Apost. Christifideles laici , 30-12-1988, nr. 60.

[59] Heilige Jozefmaria, Als Christus nu langskomt , nr. 10.

[60] Heilige Gregorius de Grote, Moralia I, 32, 45 (PL 75, 517).

[61] Ibid. [62] Heilige Jozefmaria, Brief 24-10-1965 , nrs. 24-25.

[63] Heilige Jozefmaria, Brief 11-3-1940, nr. 47.

[64] 2e Vat. Conc., decr. Optatam totius , nr. 16.

[65] Heilige Jozefmaria, Brief 9-1-1951 , nr. 22.

[66] Heilige Jozefmaria, Brief 14-2-1964 , nr. 1.

[67] Heilige Jozefmaria, aantekeningen van een familiebijeenkomst, 30-4-1961.

[68] Vgl. Codex Iuris particularis seu Statuta Praelaturae Sanctae Crucis et Operis Dei , nr. 109.

[69] Heilige Jozefmaria, Als Christus nu langskomt , nr. 10.

[70] Ibid. , nr. 149.

[71] Benedictus XVI, homilie in de Mis van de aanvaarding van het pauselijk ambt, 24-4-2005.

[72] 2e Vat. Conc., decr. Apostolicam actuositatem , nr. 28.

[73] Vgl. Benedictus XVI, enc. Caritas in veritate , 29-6-2009, nr. 29.

[74] Johannes Paulus II, Apost. Exhort. Ecclesia in Europa , 28-6-2003, nr. 49.

[75] Heilige Thomas van Aquino, Uiteenzetting van de ethiek aan Nicomachus , IX, 14.

[76] Heilige Jozefmaria, Brief 9-1-1932 , nr. 75.

[77] Heilige Jozefmaria, Brief 30-4-1946 , nr. 71.

[78] Benedictus XVI, apost. Exhort. Verbum Domini , 30-9-2010, nr. 48.

[79] Ibid. , nr. 74.

[80] Ibid. [81] Heilige Jozefmaria, Vrienden van God , nr. 314.

[82] Heilige Jozefmaria, aantekeningen van een familiebijeenkomst, april 1951.

[83] Heilige Jozefmaria, Als Christus nu langskomt , nr. 105.

[84] Brief , 28-11-2002, nr. 11.

[85] Johannes Paulus II,. Apost. Exhortatie Ecclesia in Europa , 28-6-2003, nr. 50.

[86] Heilige Jozefmaria, aantekeningen van een familiebijeenkomst, 15-4-1973.

[87] Benedictus XVI, toespraak tot de Romeinse Curie, 21-12-2009.

[88] Heilige Jozefmaria, De Weg , nr. 334.

[89] Johannes Paulus II, enc. Laborem exercens , 14-9-1981, nr. 24.

[90] Heilige Jozefmaria, Homilie De wereld hartstochtelijk beminnen , 8-10-1967 (in Gesprekken , nr. 114).

[91] Heilige Jozefmaria, aantekeningen van een familiebijeenkomst, 30-8-1961.

[92] Heilige Jozefmaria, aantekeningen van een familiebijeenkomst, 10-4-1969.

[93] Heilige Jozefmaria, De Weg , nr. 335.

[94] Heilige Jozefmaria, Brief 15-10-1948 , nr. 18.

[95] Ibid. , nr. 31.

[96] Brief , 1-6-1999.

[97] Heilige Jozefmaria, Brief 31-5-1943 , nr. 1.

[98] Heilige Jozefmaria, Gesprekken , nr. 19.