Brief van de prelaat (oktober 2010)

De prelaat van het Opus Dei spreekt in zijn brief over de beschermengelen, wier feest de Kerk op 2 oktober, tevens de stichtingsdag van het Opus Dei, viert.

Pastorale brieven en berichten

Mijn beminde kinderen: Jezus beware mij mijn dochters en zonen!

De ziel loopt over van vreugde als zij zich de blijdschap van onze Vader op 2 oktober 1928 voorstelt. Laten we ons verenigen met het gebed dat uit zijn ziel voortkwam toen hij zich, op zijn knieën, realiseerde welk een vertrouwen de Hemel in hem stelde en laten wij ons – elke dag, vaak – op de realiteit bezinnen dat ook wij in deze manifestatie van God aan de heilige Jozefmaria waren opgenomen.

Engelen van de Heer, zegent de Heer, zingt zijn lof en verkondigt zijn glorie in eeuwigheid. [Dan 3, 59] Met deze woorden van de Schrift begint de Mis van morgen, het feest van de heilige Engelbewaarders, die een zeer sterke weerklank moeten krijgen in de vrouwen en mannen van het Opus Dei. Ze kunnen onze dankbaarheid kanaliseren als wij ons hart verheffen tot God op deze nieuwe verjaardag van de stichting, omdat – zoals onze Vader zei – het geen toeval is dat God de inspiratie voor zijn Werk gaf op een dag waarop de kerk hun feest viert (...). Wij zijn hun veel meer verschuldigd dan jullie denken. [H. Jozefmaria , Aantekeningen van een familiebijeenkomst, 24-12-1963] Ik wil jullie er graag aan herinneren dat de heilige Jozefmaria ons vaak – en in het bijzonder in Argentinië in La Chacra – voorstelde om bij het binnengaan van de kapel, onze dankbaarheid aan de engelen te uiten omdat zij de Heer in de Eucharistie voortdurend vergezellen.

We kunnen hier overdenken dat de devotie tot de engelen diepe wortels heeft in de Kerk. Men zou kunnen zeggen dat er bijna geen pagina van de heilige Schrift is – dat geldt zowel voor het Oude als voor het Nieuwe Testament – waar deze zuiver geestelijke wezens, die genieten van Gods aangezicht en in dienst staan van de goddelijke plannen, niet verschijnen. [vgl. Catechismus van de Katholieke Kerk, nn. 331-333] In zijn catechese merkt Johannes Paulus II op dat het ontkennen van hun bestaan een radicaal herzien van de heilige Schrift noodzakelijk zou maken en daarmee ook de hele heilsgeschiedenis [vlg. Johannes Paulus II, Toespraak bij de algemene audiëntie, 9-07-1986], wat een gigantische dwaling zou betekenen.

Het feest van morgen biedt ons de gelegenheid om meer met deze hemelse wezens om te gaan, en eerst en vooral te beschouwen dat het schepselen van God zijn en dat alleen Jezus Christus het centrum is van de wereld van de engelen en van de hele kosmos. Het primaatschap van Christus, het vleesgeworden Woord, over de schepping, is een van de grondslagen van het katholieke geloof. Want in Hem zijn alle dingen geschapen in de hemel en op aarde, het zichtbare en het onzichtbare, tronen en hoogheden, heerschappijen en machten. Alles is geschapen door Hem en voor Hem. [Kol 1, 16]

“Wat is een engel?”, vroeg paus Benedictus XVI. En hij antwoordde: «De heilige Schrift en de Traditie van de Kerk laten ons twee aspecten zien. Aan de ene kant, is de engel een schepsel dat in de aanwezigheid van God is en met heel zijn wezen op God gericht is. De drie namen van de Aartsengelen eindigen met het woord “El”, wat betekent “God”. God is geschreven in hun namen, in hun natuur. Hun ware natuur is om in Hem en voor Hem te zijn». [Benedictus XVI, Homilie, 29-09-2007]

Deze feiten maken duidelijk dat de belangrijkste missie van de engelen het aanbidden van de Allerheiligste Drievuldigheid is, in een voortdurend aanheffen van een lied van dankzegging tot de Schepper en Heer van al het zichtbare en onzichtbare. Zowel de engelen als de mensen zijn voor dit doel geschapen. Zij hebben het al bereikt, terwijl wij nog op weg zijn. Het is daarom een goed idee om op hun hulp te rekenen opdat zij ons leren het pad te volgen dat naar de hemel leidt. Ik bid elke dag tot de engelen en ik roep ze aan – zei onze Vader eens – en ik vraag de tussenkomst van de engelbewaarders van mijn kinderen, opdat iedereen God van dichtbij gezelschap weet te houden. Zo zullen we gedreven zielen zijn, die vastbesloten zijn om de vreugde van de leer van God naar de schepselen te brengen. [H. Jozefmaria, Aantekeningen van een familiebijeenkomst, oktober 1972]

De heilige Jozefmaria spoorde ons aan om elke ochtend als we ons gebed beginnen de engelen aan te roepen, na de voorspraak van de Moeder van God en van sint Jozef te hebben gevraagd. Met wat voor godsvrucht richten we ons tot hen? Met welke zekerheid te worden gehoord? En vooral met betrekking tot de Eucharistische viering, zei onze Vader: ik juich mee en verenig me met de lofzang van de engelen: dat vind ik niet moeilijk, omdat ik weet dat ik door hen omringd ben wanneer ik de heilige Mis opdraag. Ze zijn een en al aanbidding van de Drie-eenheid. [H. Jozefmaria, Als Christus nu langs komt, nr. 89] Ook wanneer we Jezus bezoeken die aanwezig is in het tabernakel, en we misschien niet weten hoe Hem te begroeten of hoe onze dankbaarheid of onze aanbidding te uiten, kunnen we het voorbeeld van de heilige Jozefmaria imiteren. Als ik de kapel binnenga – zo vertrouwde hij ons toe – schrik ik er niet voor terug tot de Heer te zeggen: Jezus, ik houd van jou. En ik loof de Vader, de Zoon en de Heilige Geest (…). En ik denk er aan de engelen te groeten die vol liefde, aanbidding en eerherstel bij het tabernakel waken en onze Heer in het allerheiligst Sacrament eer brengen. Ik dank hen ervoor dat zij er de hele dag en de hele nacht zijn, want ik kan dat alleen maar met het hart doen: bedankt, heilige engelen, dat jullie Jezus in de heilige Eucharistie eren en Hem altijd vergezellen!. [H. Jozefmaria, Aantekeningen van een familiebijeenkomst, 6-01-1972] Ik wil jullie voorstellen om je, dag in dag uit, te verenigen met het gebed van onze stichter van 2 oktober 1928: dat in ons de dialoog van dankbaarheid en verantwoordelijkheid waarmee onze Vader heeft gereageerd niet verslapt.

Omdat de engelen grote aanbidders van de Allerheiligste Drievuldigheid zijn, kunnen zij perfect vervullen wat “het tweede aspect is dat de engelen kenmerkt: ze zijn boodschappers van God. Zij brengen God naar de mensen, ze openen de hemel en zo openen ze de aarde. Juist omdat ze in de aanwezigheid van God zijn, kunnen ze heel dicht bij de mens zijn”. [Benedictus XVI, Homilíe, 29-11-2007] Dit heeft Jezus ons geopenbaard toen hij sprak over de liefde van God de Vader voor de kinderen en voor degenen die als kinderen worden: Hoedt u ervoor een van deze kleinen te minachten, want Ik zeg u: zij hebben engelen in de hemel en deze aanschouwen voortdurend het aangezicht van mijn Vader die in de hemel is. [Mt 18, 10]

Op basis van deze en andere geïnspireerde teksten, leert de Kerk dat «vanaf de kinderjaren tot de dood het menselijk leven is omringd door hun bescherming en voorspraak». [Catechismus van de Katholieke Kerk, nr. 336] En ze maakt zich een uitlating eigen die vaak in de geschriften van de Kerkvaders voorkomt: «iedere gelovige heeft een engel naast zich als beschermer en begeleider op zijn weg». [H. Basilius, Contra Eunomio 3, 1 (PG 29, 656B] Van de hemelse geesten zijn de engelbewaarders door God bij elke man en elke vrouw geplaatst. Ze zijn onze naaste vrienden en bondgenoten in de strijd die voor ons ligt – zoals de Schrift bevestigt – tegen de valstrikken van de duivel. Want onze strijd gaat niet tegen vlees en bloed, maar tegen de heerschappijen, tegen de machten, tegen de wereldbeheersers van deze duisternis, tegen de boze geesten in de hemelen. [Ef 6, 12]. Onze Vader geeft deze leer kort en bondig door: Zoek op het moment van de beproeving hulp bij je engelbewaarder. Hij zal je tegen de duivel beschermen en je heilige gedachten ingeven. [H. Jozefmaria, De Weg, nr. 567]

Een christelijke schrijver van de tweede eeuw geeft enkele kenmerken om de ingevingen van de goede engelen te herkennen en hoe ze te onderscheiden van die van de kwade engelen. «De engel van de gerechtigheid – schrijft hij – is fijngevoelig en bescheiden, zachtmoedig en rustig. Wanneer die engel in jouw hart komt, zal hij onmiddellijk met je beginnen te spreken over rechtvaardigheid, kuisheid, heiligheid, over de versterving, over integer werk en over alle roemvolle deugden. Wanneer deze dingen in je hart opkomen, begrijp dan dat de engel van gerechtigheid met je is. Dit zijn de werken van de engel der gerechtigheid. Geloof, daarom, in hem en in zijn werken. [Hermas, De Herder, Mandaat VI, nr. 2]

De strijd tussen goed en kwaad – de trieste erfenis van de zondeval – is constant aanwezig in het menselijke bestaan op aarde. Het is daarom logisch – zoals een oud gebed zegt – dat we naar de engelbewaarders gaan: Sancti Angeli Custodes nostri, defendite nos in prœlio ut non pereamus in tremendo iudicio; heilige engelbewaarders, verdedig ons in de strijd, opdat we niet ten onder gaan bij vreeswekkend oordeel.

Al jong voedde onze stichter een diepe toewijding tot de engelen, en vooral tot zijn eigen beschermengel. Later, vanaf het moment van de oprichting van het Opus Dei, staat zijn biografie vol details die een sterke en vertrouwvolle vroomheid laten zien jegens deze aanbidders van God en goede metgezellen op de weg naar de hemel. Ook in zijn geschriften staan overvloedig verwijzingen naar het dienstwerk van de engelen ten gunste van de mensen, want – zoals de Schrift ons leert – wat zijn zij anders dan dienende geesten, uitgezonden ten behoeve van hen voor wie het heil is weggelegd? [Hebr 1, 14] Zo groot was zijn geloof in de tussenkomst van de engelen, dat hij leerde hen te beschouwen als belangrijke bondgenoten bij het apostolaat. Haal de engelbewaarder over van diegene, die je voor je apostolaat wilt winnen. Hij is altijd een grote “medeplichtige” [H. Jozefmaria, De Weg, nr. 563], schreef hij in De Weg. En op een andere plaats, toen hij overwoog dat het milieu waarin iemand zich moet bewegen op professionele, sociale gronden, enz., erg ver van God staat, zei hij: Zijn er in die omgeving veel kansen om op het verkeerde pad te raken? Akkoord. Maar zijn er dan geen engelbewaarders? [H. Jozefmaria, De Weg, nr. 566]

Het klokkengelui van de kerk van Onze Lieve Vrouw van de Engelen, dat nooit wegstierf in de oren van onze Vader, moet ook in onze oren blijven naklinken, als een herinnering dat heel ons bestaan een aanbidden moet zijn van God, verenigd met de Maagd Maria, met de engelen en met heel de zegevierende Kerk.

Ook voedde onze Vader een vriendschappelijke omgang met de aartsengel die, volgens sommige Kerkvaders, elke priester bij zijn dienstwerk bijstaat. Hij zei eens: de opinie dat priesters een engel hebben met de opdracht hun bij te staan is heel aannemelijk. Maar ik heb vele jaren geleden gelezen dat iedere priester een ministeriële aartsengel heeft, en dat heeft mij geraakt. Ik heb een soort Alleluia als schietgebedje gemaakt, en dat herhaal ik elke ochtend en avond voor die van mij. Soms dacht ik dat ik niet voldoende reden had hierin te geloven, alleen omdat een Kerkvader, wiens naam ik me niet eens kan herinneren, dat schreef. Maar als ik denk aan de goedheid van mijn Vader, God, dan ben ik ervan overtuigd dat ik door tot mijn ministeriële aartsengel te bidden, ook al zou ik die niet hebben, de Heer mij die zou geven, zodat mijn gebed en mijn toewijding een fundament hebben. [H. Jozefmaria, Aantekeningen van een meditatie, 26-11-1967]

Laten we vaak stilstaan bij deze en andere lessen over de heilige engelen en ernaar streven ze in praktijk te brengen, elk op zijn eigen manier. Laten we vol geloof en vertrouwen om hun hulp vragen. Interne moeilijkheden die onoverkomelijk lijken, externe obstakels die authentieke muren lijken, worden overwonnen met de hulp van deze zeer machtige vrienden aan wiens bescherming de Heer ons heeft toevertrouwd. Maar het is een vereiste, leerde onze stichter ons die dronk van de bronnen van de geestelijke traditie van de Kerk, om een echte vriendschap met onze engelbewaarder te hebben en met die van de andere mensen tot wie wij ons in het apostolaat richten. Want de engelbewaarder is een prins van de hemel die de Heer aan onze zijde heeft gezet om over ons te waken en ons te helpen, om ons aan te moedigen in onze nood, tegen ons te glimlachen bij ons verdriet, om ons tegen te houden als we dreigen te vallen, en ons te ondersteunen. [H.Jozefmaria, Aantekeningen van een familiebijeenkomst, 16-06-1974]

De volgende overweging van de heilige Jozefmaria in De Voor is een grote troost: Onze engelbewaarder vergezelt ons altijd als onze kroongetuige. Hij zal bij het bijzonder oordeel na je dood de attenties die je in loop van je leven aan Onze Lieve Heer hebt bewezen, naar voren brengen. Meer nog: als je je verloren zult voelen door de vreselijke aanklachten van de vijand, zal je engel aankomen met diepe uitingen van je gevoel die je ooit tot God de Vader, God de Zoon en God de Heilige Geest hebt gericht – en die je zelf misschien al vergeten bent. Daarom moet je je engelbewaarder nooit vergeten en dan zal deze Hemelvorst je niet in de steek laten, nu niet en niet op het beslissende ogenblik. [H.Jozefmaria, De Voor, nr. 693]

In onze geestelijke strijd en het apostolaat kunnen we altijd rekenen op de zorg en de bescherming van de Koningin van de Engelen. In deze maand vieren we een van haar feesten onder aanroeping van de rozenkrans. Deze Mariadevotie is een machtig wapen [H. Jozefmaria, De heilige Rozenkrans, proloog] in al onze gevechten voor de eer van God en de redding van de zielen. Ik hoop dat wij allen in de komende weken dit gebed met een bijzondere liefde bidden, in de overtuiging dat onze Moeder van de hemel, in de loop van dit Mariajaar, voor ons van haar Zoon een overvloed aan genade zal verkrijgen.

Tenslotte wil ik er aan herinneren dat we op de 6de de verjaardag van de heiligverklaring van onze Vader vieren. Laten we de Heer, op zijn voorspraak, vragen dat de bovennatuurlijke vreugde die ons hart op die datum vulde, en de impuls die we toen ontvingen om heilig te worden, levend en krachtig in zijn dochters en zonen in het Opus Dei behouden worden en ook in alle personen die dicht bij het Werk komen. Ik moet zeggen dat ik elke dag aan de heilige Jozefmaria vraag dat ieder van ons heel duidelijk de woorden voor ogen heeft – «de heilige van het gewone leven» – die de dienaar Gods Johannes Paulus II op hem toepaste [vgl. Johannes Paulus II, Litteras Decretales voor de heiligverklaring van onze Vader, 6-10-2002]. We kunnen het ook als volgt zien: de heilige Jozefmaria is de heilige die ons in alle omstandigheden van elke dag helpt. Laten we meer gebruik maken van dit ‘werk’ van onze Vader die veel, heel veel van ons houdt, maar die wil dat wij heilig worden.

Er zijn elke maand vele feesten van de Kerk en gedenkdagen van de geschiedenis Werk: neem deze feesten zorgvuldig door, zodat ons dagelijks serviam! heel edelmoedig is.

Met alle genegenheid zegent jullie

jullie Vader

+ Javier

Rome, 1 oktober 2010