Brief van de prelaat (september 2010)

De talrijke liturgische gedachtenissen in de maand september vormen het uitgangspunt voor de brief die de prelaat van het Opus Dei richt tot de gelovigen van het Werk.

Pastorale brieven en berichten

Mijn beminde kinderen: Jezus beware mij mijn dochters en zonen!

Zoals alle jaren vieren we halverwege deze maand het feest van Kruisverheffing. Dit feest spoort ons aan vol dankbaarheid de schitterende grootsheid te beschouwen dat God immers de wereld zozeer heeft liefgehad, dat Hij zijn eniggeboren Zoon heeft gegeven, opdat alwie in Hem gelooft niet verloren zal gaan, maar eeuwig leven zal hebben [Joh 3, 16].

Om ons te redden is het Woord van God mens geworden en heeft de gedaante van een slaaf aangenomen, gehoorzaam tot de dood, de dood aan het Kruis [Vgl. Fil 2, 8]. Daarom, als we onze ogen op de Gekruisigde richten, aanbidden we Hem die naar de wereld is gekomen om de zonden weg te nemen en ons het eeuwig leven te geven. De Kerk nodigt ons uit om het glorievolle Kruis met trots op te heffen, opdat de wereld kan zien tot hoe ver de liefde van de Gekruisigde voor de mensen is gekomen. De Kerk nodigt ons uit God te danken omdat een levenverstikkende boom wederom leven heeft voortgebracht [Benedictus XVI, Homilie, 14-9-2008].

Voor de kinderen van God in het Opus Dei, heeft dit feest een bijzondere betekenis, vanaf het moment dat de Heer de heilige Jozefmaria, onze Vader verlichtte om hem dieper te laten begrijpen dat we geroepen zijn om het kruis van Christus op de top van alle eervolle menselijke activiteiten te plaatsen. Instaurare omnia in Christo, dat is Paulus’ parool aan de Efeziërs (Ef 1, 10). De hele wereld met de geest van Jezus doordringen, Christus in het midden van alle dingen plaatsen. Si exultatus fuero a terra, omnia traham ad meipsum (Joh, 12, 32): als Ik boven de aarde verheven ben, zal Ik allen tot Mij trekken. Door zijn menswording en zijn leven van arbeid in Nazareth, door zijn prediking en zijn wonderen in de streken van Judea en Galilea, door zijn dood aan het Kruis en zijn Verrijzenis is Christus het middelpunt van de schepping, de Eerstgeborene en de Heer van elk schepsel [H. Jozefmaria, Als Christus nu langskomt, n. 105]. De Heer heeft ons, om mee te werken aan de toepassing van het verlossingswerk op alle zielen, ook het beroepswerk geschonken dat we met zijn genade moeten realiseren met menselijke volmaaktheid, in een geest van dienstbaarheid en met zuivere intentie, door te zorgen het werk om te zetten in gebed.

Aan Christus’ offer ontspruit alle genade die God de mensen verleent. Daarom is het onmogelijk het bovennatuurlijk leven te bezitten en deel te nemen aan de verlossingstaak van Jezus, als we ons niet van harte en daadwerkelijk verenigen met het heilig Kruis. Op de eerste plaats door de Mis zo goed mogelijk te beleven. Tijdens de Mis bevinden we ons op sacramentele doch werkelijke wijze, voor het goddelijk offer op Calvarië, wat ons aanspoort de tegenslagen en het leed van onze aardse gang met vreugde te ontvangen, en meer zelfs, om de actieve versterving en vrijwillige boete op te zoeken in de kleine dingen van elke dag. "Wat een geluk het Kruis te bezitten! –riep een kerkvader eens uit– Wie het Kruis bezit, bezit een schat" [H. Andreas van Creta, Oratio 10 in exaltatione sanctæ crucis (PG 97, 1020)]. Het zou echter een dwaling zijn het Kruis met droefheid te verwarren, met gelatenheid en een onheilspellend panorama. Want het tegenovergestelde is waar: het Kruis brengt en leidt ons naar het geluk in Christus, in de gekruisigde Christus [vgl. 1 Kor 1, 23].

Vanaf het vroege moment dat de Heer zich in zijn ziel vestigde, wist de heilige Jozefmaria veel van offers. De Heer bereidde hem zodoende voor op de taak die Hij hem wilde toevertrouwen: de stichting van het Opus Dei. Hij accepteerde de verschillende moeilijke situaties met een dankbare houding, ook al begreep hij deze soms niet. Aangespoord door de heilige Geest, bemerkte hij al snel ten diepste dat het Kruis de verzekering aankondigt –en altijd zal aankondigen– van de bovennatuurlijke doeltreffendheid van de apostolische zending.

Juist deze bovennatuurlijke aanvaarding van het lijden betekent in volle waarheid de grootste overwinning. Jezus heeft de dood overwonnen doordat Hij stierf aan het Kruis; uit de dood laat God leven ontstaan. De houding van een kind van God is niet die van iemand die zich neerlegt bij zijn lot, maar van iemand die met vreugde reeds de zege ziet dagen. In naam van de zegevierende liefde van Christus moeten wij, christenen, overal op aarde zaaiers van vrede en vreugde zijn, door middel van onze woorden en onze daden. Wij moeten strijden –een vreedzame strijd– tegen het kwaad, het onrecht, de zonde, om aldus te verkondigen dat het huidige menselijke bestaan niet het definitieve is, dat de liefde van God die zijn weerslag vindt in het Hart van Christus, de glorievolle geestelijke overwinning van de mens zal behalen [H. Jozefmaria, Als Christus nu langskomt, nr. 168]. De vreugdevolle vruchtbaarheid van het Kruis komt duidelijk naar voren in de liturgische herdenking op 15 september van Maria’s smarten. De Kerk nodigt ons uit om Maria te beschouwen naast haar Zoon die, uit liefde aan het kruis genageld, voor onze zonden sterft. De goddelijke Voorzienigheid had haar aanwezigheid op dit moment op Golgotha voorzien ook opdat Jezus de mensen aan de zorg van zijn Moeder zou toevertrouwen: Vrouw, zie daar uw zoon [Joh 19, 26] zegt Hij haar. En Zij, te midden van een enorm leed, neemt ons werkelijk op, want Zij hoort eveneens de Heer die tot Johannes zegt: Zie daar uw Moeder [Ibid., 27]. Terwijl Jezus stierf, begon ons leven van de genade, we begonnen een nieuw bestaan in vereniging met God, door de actieve medewerking van Onze Lieve Vrouw.

Veel heiligen en geestelijke schrijvers hebben uitgelegd dat Maria bij Jezus’ geboorte in Bethlehem de pijn van het fysieke moederschap bespaard is gebleven, maar dat dat niet het geval was bij onze geestelijke geboorte. "Het universele moederschap van Maria, de ‘Vrouwe’ van de bruiloft te Kana en van Calvarië, herinnert aan Eva, ‘moeder van alle levenden’ (Gen 3, 20). Terwijl deze echter de komst van de zonden in de wereld had veroorzaakt, werkt de nieuwe Eva, Maria, mee aan het heilswerk van de Verlossing (…)."

"Met het oog op deze missie –legt paus Johannes Paulus II uit– wordt aan de Moeder een voor haar zeer smartelijk offer gevraagd, namelijk om de dood van haar Eniggeborene te aanvaarden (…). Haar ‘ja’ jegens dit project betekent bijgevolg de aanvaarding van Christus’ offer, waarmee zij edelmoedig instemt door zich volledig te vereenzelvigen met de goddelijke Wil. Hoewel in Gods heilsplan het moederschap van Maria vanaf het begin bestemd was zich uit te strekken over de gehele mensheid, kwam de universele dimensie ervan pas op Calvarië aan het licht, krachtens Christus’ offer" [Johannes Paulus II, Toespraak tijdens de algemene audiëntie, 23-4-1997].

Mijn dochters en zonen, ons werk met de zielen zal overvloedige vruchten brengen als we –met een serene en gelukkige houding– zeer verenigd zijn met Jezus Christus aan het Kruis, dichtbij Maria van Smarten. De verlossing, die volbracht werd door Jezus' sterven in de schande en de glorie van het Kruis, voor de Joden een ergernis en voor de heidenen een dwaasheid (1 Kor 1, 23), duurt volgens de wil van God steeds voort totdat de tijd van de Heer komt. Het is onverenigbaar te leven vanuit het Hart van Christus en zich niet gezonden te voelen zoals Hij, peccatores salvos facere (1 Tim. 1, 15), om de zondaars te redden. Tegelijk moeten wij ervan doordrongen blijven dat wij ook zelf iedere dag meer op de barmhartigheid van God moeten vertrouwen. Zo ontstaat in ons de vurige wens, ons als medeverlossers van Christus te mogen beschouwen, om met Hem alle zielen te redden daar wij ipse Christus, Christus zelf zijn en willen zijn en Hij zich heeft gegeven als losprijs voor allen (1 Tim. 2, 6) [H. Jozefmaria, Als Christus nu langskomt, nr. 121].

Dit is de weg die de leerlingen van Jezus hebben gevolgd vanaf het begin van het christendom. Steunend op de kracht van het Kruis, gaven ze de boodschap van Christus te kennen aan de personen met wie ze omgingen en die dikwijls ver van God verwijderd waren. Precies zo, met de genade van God en de volharding van deze eersten, is het wonder bewerkstelligd van de bekering van de heidense wereld.

De 21e herdenken we de heilige Matteüs, een van de eerste Twaalf, die volgens de traditie, na het schrijven van het Evangelie dat zijn naam draagt, het martelaarschap heeft ondergaan in Perzië. Hijzelf was doelwit geweest van de zielenijver van de Verlosser, die hem riep om Hem te volgen toen hij een tollenaar was. Een situatie die, voor het merendeel van de Israëlieten, gelijk stond aan publieke zondaar. Op basis van deze aanduidingen springt een eerste gegeven in het oog: Jezus sluit niemand van zijn vriendschap uit. Sterker nog: als hij aan tafel aanligt in het huis van Matteüs-Levi, doet hij juist daar, als antwoord op degene die er schande van sprak dat Hij in gezelschap verkeerde dat niet echt aan te bevelen was, de belangrijke uitspraak: "Niet de gezonden hebben een dokter nodig maar de zieken. Ik ben niet gekomen om rechtvaardigen te roepen, maar zondaars" (Mc. 2, 17). De Blijde Boodschap van het Evangelie bestaat juist hierin: in het aanbod van Gods genade aan de zondaar! [Benedictus XVI, Toespraak bij de algemene audiëntie, 30-8-2006] Het voorbeeld van Christus zal altijd een aansporing zijn voor de apostolische ijver van al zijn leerlingen. Wij bevinden ons ook in het hart van een maatschappij waar, helaas, –ik zeg het zonder tragiek– veel mensen niets van God afweten. Anderen staan in het leven alsof ze Hem niet kennen, ver weg van zijn geboden en zijn leer. We moeten ons tot allen richten om ze bij de Heer te brengen. Ik herinner me de vreugde waarmee onze Vader de boodschap van het Tweede Vaticaans Concilie ontving, toen hij zag dat deze zorg een vernieuwde intensiteit heeft aangenomen om de Waarheid te brengen aan hen die zich buiten de enige Weg, de Weg van Jezus, bevinden want ik word verteerd door de honger naar de redding van de gehele mensheid [H. Jozefmaria, Vrienden van God, nr. 226]. We kunnen in de huidige omstandigheden gerust bevestigen dat de grenzen van het apostolaat ad fidem, zo geliefd door de heilige Jozefmaria, in de huidige omstandigheden, zich enorm uitgebreid hebben.

In de omgang met onze collega’s op het werk laten we ons niet meeslepen door aanzien des persoons. Onze Vader herhaalde onvermoeibaar dat er geen een ziel is die verstoken blijft van onze genegenheid. Meer nog, we moeten degenen die verder van God verwijderd zijn met meer liefde behandelen. De vijanden van Christus –zei onze Vader bij gelegenheid– verwijten Hem dat hij een vriend van zondaars is. Natuurlijk! En jij ook! Hoe helpen we ze anders bekeren? Hoe zullen we ze anders bij de goddelijke arts brengen?

Natuurlijk zijn we vrienden van de zondaars! Jij kunt dit werk verrichten zolang de vriendschap met deze mensen geen gevaar betekent voor je innerlijk leven; zolang je ervoor zorgt dat je geestelijke temperatuur hoog genoeg is om die van de anderen te verhogen zonder de jouwe te verliezen.

Ja! Vrienden van zondaars, ware vrienden: met jullie gebed, met jullie aangename, oprechte en eerlijke omgang, terwijl je vermijdt dat dit een gevaar wordt voor jullie ziel [H. Jozefmaria, Aantekeningen van een meditatie, 15-4-1954].

Elke persoon die we tegenkomen, om welke reden dan ook, moet in ons een ware honger naar apostolaat opwekken, de wens de ander te helpen tot Jezus te naderen. We zijn belast met de plicht allen te besmetten met het vuur van Gods liefde dat ons moet verteren. Als we met iemand in contact komen, vragen we ons meteen af: Hoe zou ik hem of haar kunnen aansporen dichter bij God te leven? Wat zou ik kunnen aanraden? Welk gespreksthema kan ik aansnijden? Wat zou helpen om de christelijke leer beter te kennen?

Het is een logische handelswijze. Paus Benedictus XVI legt uit dat wie Christus eenmaal ontmoet heeft, moet anderen tot Hem brengen. Een grote vreugde kun je niet alleen voor jezelf houden. Je moet het noodzakelijkerwijs doorgeven [Benedictus XVI, Homilie, 21-8-2005]. Zo hebben de trouwe volgelingen van de Heer zich in alle tijden gedragen. De heilige Gregorius preekte: "Als je iets ontdekt waar je profijt van hebt gehad, probeer je anderen aan te trekken. Je moet dus wensen dat anderen je begeleiden op de weg van de Heer. Als jullie naar het forum gaan, of naar de baden en je komt iemand tegen die niets te doen heeft, dan nodig je hem uit mee te komen. Pas deze aardse gewoonte toe op het geestelijke. Wanneer je naar God gaat, doe dat niet alleen" [H. Gregorius de Grote, Homilia in evangelia, 6, 6 (PL 76, 1098)].

Ik vertelde jullie al hoe ik de dagen heb herleefd die onze Vader in Ecuador doorbracht. Zonder te klagen gaf hij zich onophoudelijk, ook al kon hij niet meer rekenen op zijn fysieke krachten. In Peru, waar hij veel, door Maria en Jozef, met Jezus in het Sacrament omging, en in Brazilië, waar hij de bonte menigte personen die daar woonde, bewonderde en die hoop vormt op een toekomstige oogst voor God.

Enkele dagen geleden heb ik deelgenomen, op uitnodiging van de bisschop van Torun in Polen, aan de vernoeming van een kerk in die plaats, naar de heilige Jozefmaria en de plaatsing van een relikwie van onze Vader. Het geeft veel vreugde te zien hoe de devotie tot onze Stichter zich verspreidt over de gehele wereld, waardoor in veel zielen de wens wordt opgewekt zich te heiligen in het gewone leven. Begeleidt me in mijn dankzegging.

Tenslotte, bidt voor jullie geassocieerde broers die ik de priesterwijding zal toedienen in Torreciudad op 5 september aanstaande. Blijven jullie, zeer verenigd met mijn intenties, elke dag bidden voor de paus, de bisschoppen en voor de priesters over de hele wereld.

Met alle liefde zegent jullie,

jullie Vader,

+ Javier

Solingen, 1 september 2010