De Da Vinci Code, de Rooms-katholieke Kerk en het Opus Dei

Een antwoord van de Prelatuur van het Opus Dei in de Verenigde Staten op de misdaadroman The Da Vinci Code, die begin dit jaar ook in Nederlandse vertaling is verschenen.

De Da Vinci Code

Veel lezers van De Da Vinci Code zijn gefascineerd door de beweringen die in het boek gedaan worden over de geschiedenis van het christendom en de theologie. We willen hen er graag aan herinneren dat De Da Vinci Code een roman is en dus geen betrouwbare informatiebron voor dit soort zaken.

Het boek heeft de publieke aandacht getrokken voor de oorsprong van de Bijbel en voor enkele centrale waarheden uit de christelijke geloofsleer, zoals de godheid van Jezus Christus. Deze belangrijke onderwerpen zijn het bestuderen waard. We hopen dan ook dat de lezers gemotiveerd zijn geraakt om iets te bestuderen uit het overvloedige wetenschappelijke materiaal dat over deze thema’s beschikbaar is op de non-fictie afdeling van de bibliotheek.

Lezers die verder op zoek gaan en besluiten hun kritisch oordeelsvermogen in te zetten, ontdekken dat de beweringen die in De Da Vinci Code worden gedaan over Jezus Christus, Maria Magdalena en de kerkgeschiedenis, elke ondersteuning van vooraanstaande wetenschappers missen. Een voorbeeld. Het boek populariseert het idee dat de Romeinse keizer Constantijn, om politieke beweegredenen, de leer over de godheid van Jezus heeft verzonnen. De geschiedenis laat echter duidelijk zien hoe het geloof in de godheid van Christus zowel in het Nieuwe Testament als in de vroegste christelijke geschriften kan worden aangetoond. Andere voorbeelden van kwalijke beweringen die De Da Vinci Code te berde brengt, zijn te vinden in recensies en artikelen. Lezers die bereid zijn de tijd te nemen om de kwesties in De Da Vinci Code tot op de bodem uit te zoeken, raden we in het bijzonder het boek van Amy Welborn De-Coding Da Vinci , of het boek The Da Vinci Hoax van Carl Olson en Sandra Miesel.

De bizarre afschildering van het Opus Dei in De Da Vinci Code is op zijn minst onnauwkeurig te noemen: zowel de algehele indruk als de vele details. Het zou onverantwoord zijn zich op basis van het lezen van De Da Vinci Code een mening over het Opus Dei te vormen. Hieronder volgt meer informatie voor wie daarin interesse heeft naar aanleiding van het onjuiste beeld dat het boek over het Opus Dei geeft.

1. Opus Dei, het Tweede Vaticaans Concilie en de moderne wereld De Da Vinci Code presenteert het Opus Dei als vijandig ten opzichte van de moderne, seculiere wereld en tegenover het Tweede Vaticaans Concilie. Het tegenovergestelde is waar. Eén van centrale ideeën van het Opus Dei is dat de leken geroepen zijn om ten volle deel uit te maken van de moderne, seculiere wereld, en deze door haar christelijke getuigenis te verbeteren in plaats van haar af te wijzen en zich er uit terug te trekken. Het Opus Dei ondersteunt en verspreidt al het onderricht van de Kerk, met inbegrip van de leer van het Tweede Vaticaans Concilie, dat de aandacht van het Opus Dei voor de rol van de leken heeft bevestigd.

Paus Johannes Paulus II : “Het doel [van het Opus Dei] is de heiliging van ieders leven, waarbij men in de wereld blijft op de plaats en met het werk dat men had. Het evangelie in de wereld beleven en tegelijkertijd ondergedompeld in de wereld zijn, maar om de wereld om te vormen en te verlossen met ieders persoonlijke liefde voor Christus. Dit is werkelijk een groots ideaal, dat vanaf het begin vooruitgelopen heeft op de theologie van de leek. Een theologie die kenmerkend is voor de Kerk van het Concilie en na het Concilie.” L’Osservatore Romano , 27 augustus 1979.

Prof. Elizabeth Fox-Genovese : “Het Opus Dei wijdt zich speciaal aan de moderne taak om het leven in de wereld - met name het werk - te heiligen. De naam zelf, die werk van God betekent, bevat de essentie van deze missie. Gewone mensen, die een gewoon leven leiden, kunnen hun werk heiligen, wat voor soort werk het ook is. Ze kunnen dit werk voor God heiligen en zichzelf wijden aan de verspreiding van de heiligheid van het leven-van-alledag. Leden van ‘het Werk’ kunnen full-time moeders zijn, politici, universiteitsdocenten, leraren, administratieve krachten, wetenschappers, sociaal werkers, interieurspecialisten, zakenmannen of - vrouwen, of leden van ieder ander in te beelden bezigheid.” Verklaring gegeven op 3 januari 2004. Fox-Genovese is hoogleraar Geschiedenis aan de Emory Universiteit, oprichtster en directeur van het Institute for Women’s Studies , en uitgever van The Journal of the Hisorical Society .

Kardinaal Joseph Ratzinger : “Door dit alles heb ik het wezen van het Opus Dei beter begrepen: de sterke relatie die bestaat tussen een absolute trouw aan de rijke traditie van de Kerk, aan haar geloof, met de ontwapende eenvoud en de onvoorwaardelijke openheid voor alle uitdagingen van deze wereld, op academisch gebied, in de gewone arbeid, in de economie.” L’Osservatore Romano , 6 oktober 2002. Kardinaal Ratzinger is prefect van de Congregatie voor de Geloofsleer.

Kardinaal Joseph Bernardin : “Hij [de stichter van het Opus Dei] had een visie en een sterke overtuiging over wat het Tweede Vaticaans Concilie later de ‘universele roeping tot heiligheid’ zou gaan noemen.” Preek, 1 juli 1992.

Kardinaal Basil Hume, OSB : “De woorden [van de H. Jozefmaria] van zeventig jaar geleden liepen vooruit op het decreet van het Tweede Vaticaans Concilie over de plaats en de rol van de leek in de wereld. Ik ben ervan overtuigd dat we pas geleidelijk zullen gaan begrijpen wat de Geest ons probeerde te zeggen door het Concilie. Maar de Geest gaat door met roepen. En zeker roept de Heilige Geest ons op in onze dagen tot een hogere graad van heiligheid te komen, tot een verdieping in ons geestelijk leven. Het is de rol van bewegingen [en] van het Opus Dei om steun en leiding te bieden op die weg naar heiligheid.” Preek, 2 oktober 1998, tijdens de dankzeggingsmis in Londen ter gelegenheid van het 70-jarig bestaan van het Opus Dei.

H. Jozefmaria Escrivá, stichter van het Opus Dei : “Het was waarlijk een van mijn grootste vreugden te zien dat het tweede Vaticaans Concilie de goddelijke roeping van de leek zo duidelijk naar voren bracht.” Uit een interview gepubliceerd in de Franse krant Le Figaro , 16 mei 1966. Heruitgegeven in Gesprekken met mgr. Escrivá , De Boog, 1990.

2. De rol van vrouwen in het Opus Dei, de Rooms-katholieke Kerk en maatschappij De Da Vinci Code schildert het Opus Dei ten onrechte af als had ze een onverlichte visie op vrouwen en hun rol in de Kerk en de maatschappij. De werkelijkheid is volstrekt anders:

Bisschop Javier Echevarría, prelaat van het Opus Dei : “Ik dank God vaak als ik zie hoe de vrouwen van het Opus Dei in alle sectoren van de maatschappij werkzaam zijn: ze leiden bedrijven en ziekenhuizen, werken op het land en in fabrieken, ze bekleden posten aan de universiteit, geven les op scholen, ze zijn rechters, politici, journalisten, artiesten, en anderen wijden zich totaal, - met eenzelfde beroepsmentaliteit en gedrevenheid - aan het huishouden. Ieder volgt haar eigen weg, bewust van haar waardigheid, trots om vrouw te zijn. Ze verdienen, iedere dag opnieuw, het respect van iedereen.” Interview in El Mercurio (Chili), 21 januari 1996.

Prof. Elizabeth Fox-Genovese : “Het Opus Dei heeft een benijdenswaardig record behaald in de vorming van de armsten en in de ondersteuning van vrouwen, gehuwden en ongehuwden, bij de bezigheid die ze kiezen. Uiteindelijk is het Opus Dei er om de meest nederige tot de meest prestigieuze taken waar onze wereld van afhangt te verrijken met waardigheid, respect, heiligheid en een doel.” Uit een verklaring van 3 januari 2003.

Maria Valdeavellano : “De vrouwen hebben op alle niveaus - lokaal, nationaal en internationaal - een rol in het bestuur van het Opus Dei, de verkiezing van de prelaat inbegrepen.” Uit een verklaring afgegeven op 14 januari 2004. Valdeavellano is de regionale gedelegeerde van de prelaat van het Opus Dei in de Verenigde Staten.

H. Jozefmaria Escrivá, stichter van het Opus Dei : “Voor mij is er geen enkele reden om met betrekking tot de vrouw enig onderscheid te maken, als er sprake is van de leken en hun apostolische taken, van hun rechten en plichten. Alle gedoopten, of het nu mannen of vrouwen zijn, hebben dezelfde waardigheid, vrijheid en verantwoordelijkheid als kinderen van God... afgezien van het juridische vermogen om de heilige wijdingen te ontvangen - hier dient naar mijn mening om velerlei redenen, ook op gronden van het positieve goddelijke recht, een onderscheid gehandhaafd te blijven. Maar op alle andere terreinen moet de Kerk in de wetgeving, het interne leven en de apostolische activiteiten van de Kerk aan de vrouw dezelfde rechten en plichten toekennen als aan de man.” Uit een interview gepubliceerd in Palabra (Spanje), oktober 1967. Heruitgegeven in Gesprekken met mgr. Escrivá , De Boog, 1990.

H. Jozefmaria Escrivá : “De aanwezigheid van de vrouw in het grote geheel van het sociale leven is een logisch en zonder meer positief verschijnsel en maakt deel uit van het groter geheel waar ik eerder over sprak. Een moderne democratische maatschappij moet de vrouw het recht laten om actief aan het politieke leven deel te nemen en moet de noodzakelijke voorwaarden scheppen om allen die dat willen, ook inderdaad de gelegenheid te geven van dat recht gebruik te maken.” Interview gepubliceerd in Telva (Spanje), oktober 1967. Heruitgegeven in Gesprekken met mgr. Escrivá , De Boog, 1990.

3. Is het Opus Dei gericht op rijkdom en macht?

In De Da Vinci Code wordt het Opus Dei afgeschilderd als gericht op rijkdom en macht. De werkelijkheid is echter dat het Opus Dei er op gericht is mensen te helpen in geloof te groeien en het geloof te integreren in hun dagelijkse bezigheden, en niet om meer macht te krijgen door een politiek programma op te leggen.

Tegelijkertijd zorgt het Opus Dei met haar gelovigen voor de armen, wat een wezenlijk onderdeel van het christelijk geloof is.

Brian Kolodiejchuk, M.C. , Postulator van het heiligverklaringsproces van Moeder Teresa : “De armen, de zieken en de mensen die alleen gelaten werden, waren de wapens die hij [H. Jozefmaria Escrivá] inzette in het gevecht om het Opus Dei vooruit te krijgen. Zowel bij de stichter van het Opus Dei als bij Moeder Teresa ligt de basis van hun betrokkenheid in een diep geloof waardoor ze in iedere persoon Christus zagen.” Verklaring 27 februari 2002.

Kardinaal Luciani (een maand voordat hij gekozen werd als paus Johannes Paulus I ): “De kranten besteden veel aandacht aan het Opus Dei, maar die verslagen zijn vaak nogal onnauwkeurig. De toename, het aantal en de kwaliteit van de leden van het Opus Dei leidde er wellicht toe dat sommigen dachten dat het Opus Dei door een zucht naar macht of ijzeren discipline de leden bij elkaar houdt. Het tegenovergestelde is echter het geval. Waar het om draait is een wens naar heiligheid en de aansporing van anderen ook heilig te worden: met vreugde, in een geest van dienstbaarheid en een groot bewustzijn van de vrijheid.” Il Gazzettino (Italië), 25 juli 1978.

Kardinaal John O’Connor : “Ik denk dat het moeilijk is het denkbeeld te verdrijven, een denkbeeld dat jullie allen bekend is en dat aan laster grenst, dat het Opus Dei slechts aandacht heeft voor welgestelde en goed opgeleide mensen… Ik zou willen dat de mythe over het Opus Dei voor altijd verbannen zou worden. Laat het voor iedereen duidelijk zijn dat ik het aartsbisdom New York als bevoorrecht beschouw door jullie aanwezigheid.” Preek in de St. Patrick’s Cathedral, 26 juni 1998. Kardinaal O’Connor was de aartsbisschop van New York.

H. Jozefmaria Escrivá : “Het Opus Dei heeft geen macht en wil ook geen macht. De taak van het Opus Dei is enkel en alleen de boodschap van het evangelie te verspreiden onder alle mensen die in de wereld leven. En door te geven dat God wil dat we Hem liefhebben en dienen in, met en door onze gewone bezigheden. De leden van het Opus Dei zijn gewone christenen. Ze werken waar en hoe ze zelf willen. Het Opus Dei biedt slechts geestelijke steun opdat men altijd in een christelijk geest weten te handelen.” Interview in Osservatore della Domenica , 26 mei 1968. Heruitgegeven in Gesprekken met mgr. Escrivá , De Boog, 1990.

4. Is het Opus Dei een “katholieke sekte”? De Da Vinci Code beschrijft het Opus Dei ten onrechte als een katholieke sekte wat nergens op slaat, want het Opus Dei is altijd volledig onderdeel geweest van de katholieke Kerk. Het Opus Dei ontving in 1941 de eerste officiële goedkeuring van de bisschop van Madrid en in 1947 volgde de goedkeuring van de Heilige Stoel. Vervolgens maakte de Heilige Stoel het in 1982 tot personele prelatuur, een organisatiestructuur in de Kerk (bisdommen en militaire ordinariaten zijn andere organisatiestructuren in de Kerk). Bovendien is een van de wezenlijke kenmerken van het Opus Dei de trouw aan de paus en aan het kerkelijk leergezag. Alles wat het Opus Dei belijdt, in de praktijk brengt en gewoon is te doen, is eigen aan de Kerk. Het Opus Dei heeft ook een uitstekende band met andere instellingen van de katholieke Kerk en beschouwt de grote verscheidenheid waarin het katholieke geloof tot uitdrukking komt als iets prachtigs. Het Opus Dei bestempelen als een sekte is zonder meer onjuist.

Kardinaal Christoph Schönborn O.P.

“Niemand hoeft theologie te hebben gestudeerd om de contradictie te zien die ten grondslag ligt aan de slogan “sekten binnen de Kerk”. Hun vermeende aanwezigheid in de Kerk is een indirect verwijt aan de paus en de bisschoppen die verantwoordelijk zijn voor het onderzoeken of de groeperingen in de Kerk in leer en praktijk in overeenstemming zijn met het geloof van de Kerk. Vanuit theologisch en kerkelijk standpunt wordt een groep als sekte beschouwd wanneer die door de relevante kerkelijke autoriteit niet erkend is… Het is daarom onjuist gemeenschappen die de goedkeuring van de Kerk hebben sekten te noemen (door instituten, individuen en media)…

Gemeenschappen en bewegingen die door de Kerk zijn goedgekeurd mogen geen sekten genoemd worden, omdat hun kerkelijke goedkeuring bevestigt dat ze tot de Kerk horen en daar hun fundament hebben.” L’Osservatore Romano , 13/20 augustus 1997. Kardinaal Schönborn is aartsbisschop van Wenen en redacteur van de Katechismus van de Katholieke Kerk.

Paus Johannes Paulus II : Met zeer veel vertrouwen richt de Kerk haar aandacht en moederlijke zorg op het Opus Dei, dat - door goddelijke inspiratie - door de dienaar van God, Jozefmaria Escrivá de Balaguer in Madrid werd gesticht op 2 oktober 1928, zodat het altijd een geschikt en doeltreffend instrument mag zijn van de verlossende taak die de Kerk heeft voor het leven van de wereld. Vanaf het begin heeft deze instelling ernaar gestreefd, niet alleen met een nieuw licht de taak van de leken in de Kerk en in de samenleving te verlichten, maar het ook in praktijk te brengen.” Ut sit , november 1982

5. Het Opus Dei en de versterving

Als deel van de katholieke Kerk houdt het Opus Dei zich aan al haar onderrichtingen, met inbegrip van de leer over de boete en het offer. Het fundament van de leer over de versterving ligt in het feit dat Jezus Christus, uit liefde voor de mensheid, vrijwillig lijden en dood (zijn “passie”) heeft aanvaard als middel om de wereld te verlossen van de zonde. De christenen zijn geroepen deze liefde van Jezus na te volgen en Hem te vergezellen in zijn verlossend lijden. De christenen worden er dus toe aangespoord “aan zichzelf te sterven.” De Kerk schrijft bepaalde verstervingen voor - vasten en zich onthouden van vlees - als vormen van boete in de Veertigdagentijd. Sommige mensen uit de geschiedenis van de Kerk voelden zich geroepen om grotere offers te brengen, zoals het regelmatig vasten, het dragen van een boetekleed, een boetegordel of het gebruiken van een gesel. Deze boetepraktijken maakten deel uit van het leven van velen die door de Kerk erkend zijn als modellen van heiligheid. Bijvoorbeeld de H. Franciscus van Assisi, H.

Teresa van Avila, H. Ignatius van Loyola, H. Thomas More, H. Franciscus van Sales, H. pastoor van Ars en H. Theresia van Lisieux. Hoe dan ook, in het Opus Dei wordt meer nadruk gelegd op de beleving van de alledaagse offertjes dan op deze grote boetepraktijken. En het lijkt helemaal niet op de verwrongen en overdreven afschildering die we in De Da Vinci Code aantreffen.

New Catholic Encyclopedia (2003) :

Versterving . De weloverwogen beheersing van natuurlijke impulsen om ze geleidelijk in dienst te stellen van de persoonlijke heiligheid door de gehoorzaamheid aan de rede, verlicht door het geloof. Jezus Christus vereiste zo’n zelfverloochening van iedereen die Hem wilde volgen (Lc 9, 29). De versterving, of zoals Paulus het noemt, de kruisiging van het vlees met al haar ondeugden en begeerten (Gal 5, 24), is een onderscheidingsteken geworden van degenen die Christus toebehoren.

“Alle theologen zijn het erover eens dat de versterving nodig is voor de verlossing. De mens is sterk geneigd tot het kwaad door de begeerlijkheid van de wereld, het vlees en de duivel. Zonder weerstand te bieden leiden ze de mens tot de bittere zonden. Degene die zijn ziel wil redden moet ten minste vluchten voor de gelegenheden die een aanleiding zijn tot zware zonden. Dit vluchten is op zichzelf een vorm van versterving. In aanvulling op deze verstervingen die vereist zijn door de natuur van de mens, legt de Kerk haar gelovigen, gezien de herhaalde aansporingen van de evangeliën, andere beperkingen op. Een voorbeeld is de verplichting van het vasten en de onthouding. Degenen die om een of andere reden vrijgesteld zijn van deze bepalingen, worden aangespoord daar een andere versterving voor in de plaats te doen.

“Degenen die willen voortgaan op de weg van de volmaaktheid moeten zichzelf meer versterven dan van een gewone gelovige gevraagd wordt. Het dragen van het Kruis heeft Christus gemaakt tot de prijs om zijn naaste volgeling te kunnen zijn (Lc 14, 33).

Vandaar dat velen, vanaf het vroege christendom, in navolging van Christus, een verstorven leven hebben geleid. Wie een hoge graad van heiligheid willen bereiken voelen zich er constant toe bewogen nog meer op Hem te lijken in Zijn lijden. Om bij het beoefenen van grote verstervingen zelfmisleiding te voorkomen, doen ze er goed aan hun boetepraktijken ter goedkeuring aan een verstandig leidsman te voor te leggen.”

De Bijbel (KBS) : “Wie mijn volgeling wil zijn moet Mij volgen door zichzelf te verloochenen en elke dag opnieuw zijn kruis op te nemen” (Jezus, Lc 9, 23). “Op dit ogenblik verheug ik mij, dat ik voor u lijden mag en voor mijn deel aanvullen wat aan de kwellingen van Christus in mijn vlees ontbreekt, ten bate van zijn Lichaam, dat de Kerk is” (Paulus, Kol 1, 24).

Katechismus van de Katholieke Kerk (1997) : “Door ons bij zijn [Christus’] offer aan te sluiten kunnen wij van ons leven een offerande aan God maken” (nr. 2100). “De weg van de volmaaktheid gaat via het Kruis. Er is geen heiligheid zonder onthechting en zonder geestelijke strijd. Geestelijke vooruitgang houdt ascese in en versterving. Zij voeren trapsgewijs naar een leven in de vrede en in de vreugde van de zaligsprekingen” (nr. 2015).

Paus Johannes Paulus II : “Als het kruis omhelsd wordt verandert het in een teken van liefde en totale zelfgave. Om het met Christus te dragen betekent het verenigd te zijn met Hem door het grootste bewijs van liefde aan te bieden.” Toespraak Wereldjongerendag 14 februari 2001.

Paus Paulus VI : “Hoe dan ook, de ware boete gaat altijd gepaard met lichamelijke ascese… Als we de broosheid van onze natuur beschouwen wordt het duidelijk hoe noodzakelijk de versterving is. Sinds de zonde van Adam hebben het vlees en de geest tegenovergestelde verlangens. De beoefening van de lichamelijke versterving - die ver staat van elke vorm van stoïcisme -, vóóronderstelt geen afkeuring van het lichaam dat de Zoon van God verwaardigd heeft aan te nemen. Integendeel. De versterving doelt op de ‘bevrijding’ van de mens.” Apostolische constitutie Paenitemini , 17 februari 1966.

Zalige paus Johannes XXIII : “Geen enkele christen is in staat te groeien in de volmaaktheid en evenmin kan het christendom in sterkte toenemen mits het steunt op de solide basis van de boete. Dat is de reden waarom we in onze Apostolische Constitutie het Tweede Vaticaans Concilie officieel afkondigen en de gelovigen aansporen zich geestelijk waardig voor te bereiden op deze grote gebeurtenis door gebed en andere christelijke gewoontes. We herinneren eraan om de beoefening van de vrijwillige versterving niet over het hoofd te zien. Encycliek Paenitentiam Agere (Over de noodzaak van het beoefenen van de innerlijke en uiterlijke versterving), 1 juli 1962.

Jordan Aumann, O.P. : “Een van de geweldigste wonderen van de heilseconomie is de innige verbondenheid die er bestaat tussen alle mensen door het Mystieke Lichaam van Christus. God aanvaardt het lijden dat Hem wordt aangeboden door een ziel in genade, voor de verlossing van een andere ziel of ten behoeve van de zondaars in het algemeen. Het is onmogelijk de verlossende kracht te meten van het lijden dat met een levend geloof en een vurige liefde door middel van de wonden van Christus aan de goddelijke rechtvaardigheid wordt aangeboden. Als alles lijkt te falen, dan is het nog mogelijk de toevlucht te nemen tot het lijden teneinde de verlossing van een zondaar te verkrijgen. Pastoor van Ars [H. Johannes Vianney] zei eens tot een priester die zich beklaagde over de koelheid van zijn parochianen en over de onvruchtbaarheid van zijn ijver. “Heb je gepreekt? Heb je gebeden en gevast? Heb je je gesel gebruikt? Ben je op een plank gaan slapen? Je hebt geen recht om te klagen, totdat je al deze dingen hebt gedaan.” Spiritual Theology (Londen: Sheed and Ward, 1993), blz. 172.

Voor een beoordeling van de beschrijving van de versterving in De Da Vinci Code verwijzen we naar de uitleg van bisschop Robert Morlino (Madison, WI) in de Catholic Herald .

6. Waar draait het in het Opus Dei om? Aartsbisschop John Myers, Newark (2002)

“Hoe moeilijk is het dat het bewustzijn van de roep tot heiligheid tot het verstand doordringt en op onze wil inwerkt. Ik denk dat God daarom naast zoveel andere oude en nieuwe waardevolle instituten, het Opus Dei gewild heeft en dat de Kerk, de volgende maand twintig jaar geleden, het Opus Dei tot een personele prelatuur heeft gemaakt.

“Ik weet dat de woorden ‘personele prelatuur’ heel technisch kunnen klinken, maar de realiteit is vrij eenvoudig. De Congregatie voor de Bisschoppen noemde deze prelaturen in zijn Verklaring over het Opus Dei , een bewijs van de fijngevoeligheid waarmee de Kerk beantwoordt aan de specifieke pastorale en evangelische noden van onze tijd.” Het is een gedeelte van het volk van God - over de hele wereld verspreid - met een Prelaat, zijn geestelijken en lekengelovigen die een specifieke taak hebben. In het geval van het Opus Dei is deze taak het bewustzijn van de universele roep tot heiligheid onder de gewone mensen te verspreiden. Dit doen ze door de heiliging van hun werk, sociale activiteiten en het gezinsleven. Dat is de dienst die de Kerk verwacht van de gelovigen van de Prelatuur van het Opus Dei.

“Het is een dienst waarbij scholen of ziekenhuizen, bezinningshuizen of andere georganiseerde activiteiten betrokken kunnen zijn, maar dat zijn alleen middelen. De missie die de Kerk van jou vraagt is om in je dagelijks werk een ideaal uit te stralen en te verspreiden. Het ideaal om heiligheid in het seculiere leven te verwezenlijken. Om het eenvoudig te houden, je hebt het mandaat om de geest van het Opus Dei in praktijk te brengen, eerst in jullie leven, in je hele doen en laten en dan in je omgeving. We geloven dat persoonlijke heiligheid een verschil maakt. Een parochie die wordt geleid door heilige priesters is anders en die hele gemeenschap ervaart dat verschil. Een gezin waarvan de ouders strijden om hun tekortkomingen te overwinnen wordt sterker dan andere gezinnen. Hetzelfde kan gezegd worden van advocatenkantoren of de kruidenier, van kranten en bedrijven. Als de leiding zich inzet om de deugden te verwezenlijken - de natuurlijke deugden en de theologische deugden -, dan zal er bij die familie, dat advocatenkantoor en die kruidenier iets veranderen. Het wordt het gist dat leven geeft aan het deeg.

“Dit werk van het Opus Dei vereist een persoonlijke benadering, van persoon tot persoon. Ieder van ons heeft een levendig voorbeeld nodig dat ons de weg laat zien, met wie we ons kunnen identificeren. Ieder van ons moet persoonlijk geleerd worden hoe te bidden, net zoals een kind van zijn ouders leert bidden. Het is door deze persoonlijke geestelijke leiding dat we leren om vriendelijk en nederig te zijn, om de deugden te beleven. Het is een moeizame opgave, maar vol natuurlijkheid. Het is wat een moeder doet met een klein kind, iemand in zijn beroep met zijn collega of vriend, de student met zijn medestudent. Een tienjarig voetballertje dat zijn teamgenootje aanmoedigt om op zondag naar de mis te gaan doet dit al.

“Bij dit alles is de rol van het Opus Dei op te treden als een coach die individuele instructies geeft en ons aanmoedigt om te blijven proberen, ons doel niet op te geven of onze inspanning te laten verslappen, hoe onhandig de inspanning ook lijkt. Het is niet een coach van een superteam. Het Opus Dei is er niet voor super katholieken of elite katholieken, maar voor gewone normale katholieken. Er is niet meer nodig dan een open houding en de wens om te dienen.”

Uit de preek van de dankzeggingsmis op 8 oktober 2002 in de kerk van Maria de Meerdere te Rome na de heiligverklaring van Jozefmaria Escrivá.