Van Palmzondag naar Pasen

Overwegingen van mgr. Javier Echevarría voor iedere dag van de Goede Week.

Van de prelaat
Opus Dei - Van Palmzondag naar Pasen

Palmzondag - Jezus’ intrede in Jeruzalem

De Goede Week begint en wij denken terug aan de triomfale intocht van Christus in Jeruzalem. De heilige Lucas schrijft: Toen Hij dichtbij Betfage en Betanië kwam bij de zogeheten Olijfberg, zond Hij twee van zijn leerlingen vooruit met de opdracht: Ga naar het dorp daar vlak voor je. Als je er binnenkomt zul je een veulen vinden dat vastgebonden staat en waarop nog niemand heeft gezeten. Maak het los en breng het mee. En als iemand jullie vraagt: Waarom maken jullie dat veulen los?, zeg dan: De Heer heeft het nodig. Met deze opdracht gingen ze weg en troffen zij het zo aan als Hij hun gezegd had (Lc 19, 29-32).

Wat een armzalig rijdier koos onze Heer uit! In onze ijdelheid zouden wij een energiek renpaard hebben gekozen. Maar Jezus laat zich niet alleen door menselijke overwegingen leiden, maar ook door goddelijke maatstaven. Dit is gebeurd merkt Matheus op opdat vervuld zou worden wat bij monde van de profeet gezegd is: Zeg tegen de dochter van Sion: zie, uw koning komt naar u toe, zachtmoedig en zittend op een ezel, op een veulen, het jong van een lastdier (Mt 21, 4-5).

Jezus Christus, God zelf, neemt genoegen met een ezeltje als troon. Wij, die in feite niets voorstellen, spreiden onze ijdelheid en trots ten toon door te trachten op te vallen en de aandacht op ons zelf te vestigen. Wij verlangen dat anderen ons bewonderen en prijzen. De heilige Jozefmaria, die in 2002 door paus Johannes Paulus II heilig is verklaard, heeft uit die evangeliepassage lering getrokken. Hij vergeleek zichzelf met een verachtelijke “schurftige ezel”. Ook al was hij nederig, toch zag hij ook in dat hij van God veel gaven had ontvangen, vooral de taak om de goddelijke wegen op aarde te openen door miljoenen mannen en vrouwen duidelijk te maken dat zij heilig kunnen worden door gewoon hun dagelijkse plichten te vervullen.

Jezus trekt Jeruzalem binnen op een ezel. Uit dit tafereel zouden wij enkele conclusies kunnen trekken. Iedere christen kan en moet zichzelf tot troon van Christus maken. Zo zijn de woorden van de heilige Jozefmaria ons koren op de molen: “Als Jezus, toen Hij vroeg om in mijn ziel en jouw ziel te heersen, naar een volmaakte plaats had gezocht, zouden wij een goede reden hebben om te wanhopen. Maar”, voegt hij eraan toe, “Jezus was tevreden met een armoedig dier als zijn troon. … Er zijn honderden dieren die mooier, nuttiger en groter zijn. Maar toen Christus zich aan het volk vertoonde, zodat het Hem als koning zou kunnen toejuichen, nam Hij met dat dier genoegen. Dat komt omdat Jezus niets van doen heeft met berekenende en kille harten, met opvallende maar lege schoonheid. Onze Heer waardeert de vreugde van een jeugdig hart, een onopvallende gang, een stem zonder overdrijving, reine ogen en oren die open staan voor zijn woorden van liefde. Dat is de manier waarop Hij in de ziel regeert.” (Als Christus nu langskomt, 181).

Laten wij Hem bezit laten nemen van onze gedachten, woorden en daden. Laten wij met name de eigenliefde verwerpen, die het grootste struikelblok vormt voor de heerschappij van Christus. Laten wij nederig zijn zonder ons op verdiensten te beroemen. Stel je voor hoe belachelijk het geweest zou zijn wanneer die ezel het gejuich van de mensen voor de Meester, als eerbetoon aan hem had beschouwd.

In een commentaar op deze passage uit het evangelie wijst Johannes Paulus II erop, dat Jezus zijn aardse leven niet beschouwde als een zoektocht naar macht, een verlangen naar succes of carrière of de wens om te heersen over anderen. Integendeel, Hij deed afstand van zijn voorrechten als gelijke van God. Hij nam de hoedanigheid aan van een slaaf, werd gelijk aan de mensen en gehoorzaamde aan het plan van de Vader zelfs tot aan de kruisdood. (Vgl. Homilie, 8 april 2001).

Enthousiasme is gewoonlijk van korte duur. Enkele dagen later zullen zij, die Hem met gejuich hadden ontvangen, luid om zijn dood roepen. En wij, laten wij ons leiden door een enthousiasme dat voorbij gaat? Wanneer wij ons in deze dagen van de Goede Week geraakt voelen door de goddelijke genade, laten wij dan in onze zielen plaats voor Hem maken. Laten wij op de grond meer dan palm- of olijftakken uitspreiden; daar ons hart neerleggen, nederig zijn, kleine offers brengen, met anderen in het reine komen. Dit is de hulde die Jezus van ons verwacht.

Tijdens de Goede Week kunnen wij de belangrijkste momenten van onze verlossing opnieuw beleven. Maar, “om Christus op het einde van de Goede Week in zijn glorie te kunnen vergezellen, moeten wij zijn volledige zelfovergave tot de onze maken en ons volledig vereenzelvigen met Hem die stierf op Calvarië.”(Als Christus nu langskomt, 95). Daarvoor bestaat geen betere manier dan om aan de hand van Maria te gaan. Moge zij de genade verkrijgen dat deze dagen een diep merkteken in onze zielen achterlaten en voor ieder van ons aanleiding zijn om te groeien in liefde tot God en tot de anderen.

***

Maandag - Jezus in Betanië

Gisteren hebben wij de triomfale intocht van Christus in Jeruzalem herdacht. Veel leerlingen en andere mensen juichten Hem toe als Messias en koning van Israël. Op het einde van de dag was Hij moe en keerde terug naar Betanië, een dorp vlakbij de hoofdstad waar Hij gewoonlijk de nacht doorbracht wanneer Hij Jeruzalem bezocht.

Hij trof daar een gezin dat voor Hem en zijn leerlingen altijd ruimte had. Lazarus, die Hij uit de dood had opgewekt, was het hoofd van het gezin. Zijn zusters Marta en Maria woonden daar ook. Zij ontvingen Hem graag, blij om Hem te dienen.

In de laatste dagen van zijn aardse leven bracht Jezus veel tijd door met preken in Jeruzalem. ’s Nachts kwam Hij weer op krachten in het huis van zijn vrienden. In Betanië speelt het tafereel van het evangelie van vandaag zich af.

Zes dagen voor het paasfeest, vertelt Johannes, ging Jezus naar Betanië. Zij gebruikten daar hun maaltijd. Marta trad op als gastvrouw en Lazarus was een van degenen die met Hem aan tafel zaten. Maria kwam met een halve liter echte, zeer kostbare balsem naar Jezus toe, zalfde daarmee zijn voeten en droogde die met haar haren af. Het huis werd vervuld van de balsemgeur (Joh 12, 1-3).

De edelmoedigheid van deze vrouw springt direct in het oog. Zij wil haar dankbaarheid tonen aan de Meester die haar broer weer tot leven heeft gebracht en voor zoveel andere gunsten die zij van Hem heeft ontvangen. Zij kon dat alles op geen enkele wijze terugbetalen. Judas, die ook bij de maaltijd aanwezig is, berekent exact wat de balsem kost.

Maar in plaats van de fijnzinnigheid van Maria te prijzen, uit hij kritiek: Waarom is deze balsem niet voor driehonderd denaries verkocht en waarom is het geld niet aan de armen gegeven? Dit zei hij niet, omdat hij zo met de armen was begaan, merkt de heilige Johannes op, maar omdat hij een dief was en als beheerder van de kas inkomsten in eigen zak stak (Joh 12, 4-6).

“De reactie van Jezus zelf is totaal anders” schrijft Johannes Paulus II. “Terwijl Hij op geen enkele wijze afbreuk doet aan de plicht van naastenliefde jegens de armen, voor wie de leerlingen altijd speciaal moeten zorgen – de armen zullen jullie altijd bij je hebben – kijkt Hij naar zijn naderende dood en begrafenis en beschouwt deze zalving als een voorschot op de eer die zijn lichaam ook na zijn dood zal blijven verdienen, onlosmakelijk verbonden als deze is met het mysterie van zijn persoon.” (Ecclesia de Eucharistia, 47).

Om een ware deugd te zijn, moet de naastenliefde geordend zijn. God komt op de eerste plaats. Gij moet God beminnen met geheel uw hart, geheel uw ziel en geheel uw geest. Dit is het eerste en belangrijkste gebod. En het tweede gebod is even belangrijk: Gij moet uw naaste beminnen als uzelf (Mt 22, 37-39).

Deze twee geboden vatten de hele wet en de profeten samen. Daarom slaan degenen, die geen aandacht hebben voor de noden van de Kerk en van de gewijde bedienaren met het excuus dat de materiële noden van de mens verlicht moeten worden, de plank mis. De heilige Jozefmaria schrijft: “Die vrouw in het huis van Simon de melaatse, in Betanië, die het hoofd van de Meester zalft met een duur parfum, herinnert ons aan het feit dat wij God heel veel eer moeten brengen. Al die pracht en praal lijken mij nog onvoldoende. In tegenstelling tot hen die de rijkdom aan gewijde vaten, kleding en schilderijen ter discussie stellen, horen we Jezus vol lof zeggen opus enim bonum operata est in me, zij heeft iets goeds voor mij gedaan.” (De Weg, 527).

Hoevelen kiezen niet de kant van Judas. Zij zien wel het goede van anderen, maar willen dat niet erkennen. Zij houden zich bezig met het verdraaien van bedoelingen, het leveren van kritiek, geweeklaag en het uiten van ongefundeerde meningen. Zij proberen, misschien om hun geweten te sussen, naastenliefde te reduceren tot louter het lenigen van materiële noden van de armen. Zij vergeten dat “christelijke naastenliefde zich niet alleen beperkt tot het laten deelnemen van de armen aan de economische vooruitgang; maar dat deze zich vooral richt op respect en begrip voor elk afzonderlijk individu, met diens intrinsieke waardigheid als mens en kind van God.” (Als Christus nu langskomt, 72).

De maagd Maria gaf zich volledig aan onze Heer en stond altijd klaar om de mensen te helpen. Laten wij haar vandaag vragen om onze voorspreekster te zijn opdat de liefde voor God en voor onze naaste in ons leven één zijn, als de twee kanten van een munt.

***

Dinsdag - Hoe is ons geloof?

Het evangelie van de heilige Mis eindigt vandaag met de aankondiging, dat de apostelen Christus tijdens zijn lijden zullen verlaten. Wanneer Simon Petrus zelfverzekerd verklaart: ik zal mijn leven voor u geven, antwoordt de Heer: Jij zult je leven voor mij geven? Ik verzeker je dat de haan niet zal kraaien voordat je mij driemaal verloochend hebt (Joh 13, 38).

Die voorspelling zal kort daarna vervuld worden. Niettemin had de Heer hun enkele uren eerder een duidelijke les gegeven om hen voor te bereiden op de donkere ogenblikken die zouden volgen.

Het gebeurde op de dag na zijn triomfale intocht in Jeruzalem. Jezus en de apostelen hadden Betanië zeer vroeg, wellicht haastig en zonder ontbijt, verlaten. Hierdoor, vertelt de heilige Marcus, kreeg onze Heer honger. In de verte zag Hij een vijgenboom, die volop in het blad stond, en Hij ging kijken of Hij er misschien iets aan zou vinden. Toen Hij erbij kwam, vond Hij niets dan blad. Want het was niet de tijd van de vijgen. Hij zei tegen die boom: Laat niemand ooit nog vruchten van je eten. Zijn leerlingen hoorden dat (Mc 11, 13-14).

Tegen de avond keerden zij naar het dorp terug. Het moet laat geweest zijn, want zij merkten niet op wat er met de vijgenboom, die Jezus vervloekt had, gebeurd was. Maar de volgende dag, dinsdag, toen zij naar Jeruzalem terugkeerden, zagen zij allen dat de boom, die groen was geweest, nu verdord was. Petrus maakte Jezus hierop attent: Meester, kijk, de vijgenboom die U vervloekt hebt, is verdord. Jezus antwoordde: Heb vertrouwen in God. Ik verzeker jullie: ieder die tot die berg zegt: Verhef je en stort je in zee, en geen twijfel heeft in zijn hart, maar erop vertrouwt dat zal gebeuren wat hij zegt, hem zal het ten deel vallen (Mc 11, 20-23).

Tijdens zijn openbare leven vroeg Jezus, bij het verrichten van wonderen, slechts om een enkel ding: geloof. Hij vroeg de twee blinde mannen die Hem smeekten om hen te genezen, geloven jullie dat ik daartoe in staat ben? Ja, Heer antwoordden zij. Vervolgens raakte Hij hun ogen aan en zei: Uw geloof heeft u gered. En hun ogen werden geopend (Mt 9, 27-30). De evangelies vertellen ons ook dat Hij op diverse plaatsen nauwelijks wonderen verrichtte omdat de mensen daar niet geloofden.

Wij moeten onszelf ook de vraag stellen: hoe staat het met ons geloof? Vertrouwen wij volledig op het woord van God? Bidden wij voor hetgeen wij nodig hebben, in de zekerheid dat wij het zullen krijgen als het goed voor ons is? Volharden wij in dat gebed, zonder ontmoedigd te raken?

De heilige Jozefmaria Escrivá gaf het volgende commentaar op deze evangelielezing: “Jezus naderde de vijgenboom; Hij nadert jou en mij. Jezus is hongerig en dorstig naar zielen. Aan het kruis riep Hij Sitio! – Ik heb dorst! (Joh 19, 28). Hij is dorstig naar ons, naar onze liefde, naar onze zielen, naar alle zielen. Wij moeten Hem bereiken door de kruisweg te volgen, de weg die leidt naar onsterfelijkheid en hemelse glorie.” (Vrienden van God, 202).

Zij kwamen bij die vijgenboom en vonden alleen maar bladeren (Mt 21, 19). Wat jammer. Gebeurt dat ook in ons leven? Schiet ons geloof, onze nederigheid tekort? Ontbreken de offers en de daden?

De leerlingen verbaasden zich over het wonder maar tevergeefs. Enkele dagen later al zouden zij hun Meester verloochenen. Het geloof moet daarom ons hele leven bezielen. “Jezus stelt als voorwaarde,” vervolgt de heilige Jozefmaria, “dat wij leven in geloof, want dan zijn wij in staat om bergen te verzetten. En er zijn zoveel dingen die verzet moeten worden, niet alleen in de wereld maar vooral in ons hart. Er worden zoveel obstakels voor de genade opgeworpen. Geloof dan; geloof met daden, geloof met offer en geloof met nederigheid.” (Vrienden van God, 203).

Het geloof van Maria heeft het verlossingswerk mogelijk gemaakt. Johannes Paulus II schrijft: “in het middelpunt van dit mysterie, in het hart van de verbazing van het geloof staat Maria, de verheven moeder van de Verlosser” (Redemptoris Mater, 51). Zij vergezelt alle mensen voortdurend op hun weg naar het eeuwige leven. De Kerk, schrijft de paus, “ziet Maria diep betrokken bij de geschiedenis van de mensheid, bij de eeuwige roeping van de mens, volgens het providentiële plan dat God van eeuwigheid voor hem beschikt heeft; zij ziet haar moederlijke aanwezigheid en betrokkenheid bij de veelvuldige en ingewikkelde problemen waarmee heden ten dage het leven van de enkelingen, van de gezinnen en van de volkeren vergezeld gaat; zij ziet haar het christenvolk te hulp snellen in de onophoudende strijd tussen goed en kwaad, opdat het ‘niet zal vallen’ en, als het gevallen is, ‘zal opstaan’.” (Ibidem, 52).

Maria, onze moeder, verkrijg voor ons door uw tussenkomst een oprecht geloof, een vaste hoop en een vurige liefde.

***

Woensdag - Het verraad van Judas

Op woensdag in de Goede Week denken wij aan het droevige verhaal van Judas, een van de apostelen van Christus. De heilige Matteüs vertelt het in zijn evangelie: Een van de twaalf, Judas Iskariot genaamd, ging naar de hogepriesters en zei tegen hen: Wat wilt u mij geven, als ik Hem aan u overlever? Ze telden dertig zilverlingen voor hem uit. Vanaf toen zocht hij een gunstig moment om Hem over te leveren (Mt 26, 14-16).

Waarom herinnert de Kerk ons aan deze gebeurtenis? Om ons bewust te maken van het feit dat wij allemaal in staat zijn ons te gedragen als Judas. Om ons aan onze Heer te laten vragen dat er van onze kant geen verraad zal zijn, geen verwijdering, en geen nalatigheid. Niet alleen vanwege de negatieve consequenties die dit voor ons zou hebben – wat al verdrietig is –, maar ook omdat wij anderen die ons goede voorbeeld, onze aanmoediging en onze vriendschap nodig hebben, mee zouden trekken in onze val.

Er zijn plaatsen in Latijns-Amerika waar, op afbeeldingen van het kruis, een diepe wond te zien is op de linker wang van onze Heer. Men zegt dat deze de kus van Judas voorstelt. Zo pijnlijk zijn onze zonden voor Jezus. Vertel Hem dat wij trouw willen zijn en dat wij Hem niet, zoals Judas deed, willen verkopen voor dertig zilverlingen; voor het schijntje dat onze zonden, zoals trots, afgunst, onzuiverheid, haat en wrok, waard zijn. Laten wij, wanneer wij door bekoringen worden overmand, eraan denken dat het niet de moeite loont om het geluk van Gods kinderen in te ruilen voor een zondig pleziertje dat snel voorbij gaat en een bittere nasmaak van nederlaag en ontrouw achterlaat.

Wij moeten de aandrang van de Kerk en de gehele mensheid voelen. Is het niet ongelooflijk te bedenken dat ieder van ons invloed kan uitoefenen op de hele wereld? Waar wij ook zijn, als we ons werk doen, voor ons gezin zorgen of onze vrienden ten dienste staan, kunnen wij veel mensen helpen om gelukkiger te zijn. De heilige Jozefmaria Escrivá stelde met betrekking tot de vervulling van onze christelijke plichten dat “wij moeten zijn als een steen die in het water valt. Door jouw woord en voorbeeld wordt een eerste rimpeling teweeg gebracht en deze veroorzaakt vervolgens steeds weer een volgende.” (Vgl. De Weg 831). Tot aan de meest afgelegen hoeken.

Laten wij onze Heer vragen ons te weerhouden van nog meer verraad en ons te laten inzien hoe wij, met behulp van zijn genade, weerstand kunnen bieden aan de verleidingen van de duivel die ons probeert te bedriegen. Wij moeten vastberaden “Nee” zeggen tegen alles wat ons van God afhoudt. Op deze wijze zal het droevige verhaal van Judas zich in ons leven niet herhalen.

Laten wij, wanneer wij ons zwak voelen, het heilig sacrament van de biecht ontvangen! Onze Heer wacht daar op ons, zoals de vader in de parabel van de verloren zoon, klaar om ons te omarmen en ons zijn vriendschap aan te bieden. Hij probeert telkens weer ons te ontmoeten, ook al hebben wij gezondigd en zelfs wanneer wij zwaar hebben gezondigd. Het is altijd een goed moment om naar God terug te keren. Wij moeten niet ontmoedigd raken of pessimistisch worden. Wij moeten niet denken: wat kan ik, in al mijn ellende, nog doen? De vergevingsgezindheid van God is immers veel groter! Of wat moet ik doen wanneer ik, in mijn zwakheid, telkens opnieuw in zonden verval? De kracht van God om ons te laten opstaan is zoveel groter!

De zonden van Judas en Petrus waren groot. Beiden hebben de Meester verraden. De één gaf Hem in handen van zijn vervolgers. De ander verloochende Hem drie keer. Maar hoe verschillend was hun reactie! Onze Heer stroomde over van barmhartigheid en wachtte op beiden. Petrus toonde berouw, weende om zijn zonde, vroeg om vergeving en Christus bevestigde hem in geloof en liefde. Later zou hij zijn leven voor onze Heer geven. Judas vertrouwde echter niet op de barmhartigheid van Christus. De deuren van Gods vergeving stonden tot het laatste moment voor hem open, maar hij wilde niet naar binnen door boete te doen.

In zijn eerste encycliek sprak Johannes Paulus II over het “recht van Christus om ieder van ons te ontmoeten op dat uitermate belangrijke ogenblik in het leven van de ziel, het moment van bekering en vergeving.” (Redemptor Hominis, 20). Wij moeten Jezus dat recht niet ontnemen. Wij moeten God de Vader de vreugde niet ontzeggen om ons weer welkom te heten. Wij moeten de heilige Geest, die het bovennatuurlijke leven in onze ziel wil herstellen, niet teleurstellen.

Laten wij Maria, hoop van de christenen, vragen om de moed niet te verliezen vanwege onze dwalingen en zonden, zelfs niet wanneer wij er telkens weer in terug vallen. Laten wij haar vragen van haar Zoon voor ons de genade van bekering te verkrijgen en een daadwerkelijk verlangen om te gaan biechten. En laten wij haar vragen om nederig en berouwvol het sacrament van de goddelijke barmhartigheid te ontvangen; steeds weer opnieuw te beginnen, zo vaak als dat nodig is.

***

Witte Donderdag - Instelling van de Eucharistie

De liturgie van Witte Donderdag is rijk aan betekenis. Dit is de grote dag waarop de heilige Eucharistie werd ingesteld, een hemelse gave voor de mens. De dag ook van de instelling van het priesterschap, een andere goddelijke gave, die het offer van Calvarië op alle tijden en plaatsen daadwerkelijk aanwezig laat zijn, zodat wij ons de vruchten van dat offer eigen kunnen maken.

Het moment nadert waarop Jezus zijn leven voor ons geeft. Zo groot was zijn liefde dat Hij, in zijn oneindige wijsheid, een mogelijkheid gevonden heeft om weg te gaan en tegelijkertijd hier te blijven. Soms zien mensen zich genoodzaakt om hun huis en gezin achter te laten om elders werk te vinden. Denkend aan die situaties, schreef de heilige Jozefmaria: “Menselijke liefde heeft een symbool gevonden. Degenen die weggaan laten op hun vertrouwde plek een herinnering achter, misschien een foto… Jezus Christus, ware God en ware mens, laat geen symbool achter maar een werkelijkheid; Hij blijft zelf. Hij zal naar de Vader gaan maar Hij zal ook bij de mensen blijven. Onder de tekenen van brood en wijn is Hij daadwerkelijk aanwezig – zijn Lichaam, zijn Bloed, zijn Ziel en zijn Godheid.” (Als Christus nu langskomt, 83).

Wat moet ons antwoord zijn op zo’n onmetelijke liefde? Gelovig en eerbiedig de heilige Mis, de onbloedige gedachtenis van het kruisoffer bijwonen. Ons goed voorbereiden om Hem met zuivere ziel te ontvangen in de heilige Communie. Vaak een bezoek brengen aan Jezus die verborgen is in het tabernakel.

In de eerste lezing worden wij herinnerd aan wat God in het Oude Testament voorschreef opdat het volk van Israël Gods weldaden niet zou vergeten. De tekst is zeer gedetailleerd: van hoe het paaslam bereid moest worden, tot de zorgvuldige wijze waarop het voorbijgaan van de Heer herdacht moest worden. Dat alles werd voorgeschreven om gebeurtenissen te herdenken die onze verlossing van de zonde door Jezus voorafbeelden. Hoeveel temeer moeten wij ons dan liefdevol gedragen nu wij daadwerkelijk verlost zijn van de slavernij van de zonde en aangenomen zijn als kinderen van God.

Daarom leert de Kerk ons grote zorg te hebben voor alles wat met de Eucharistie te maken heeft. Wonen wij iedere zondag en iedere verplichte feestdag de heilige Mis bij, in de wetenschap dat wij deelnemen aan een goddelijke handeling?

De heilige Johannes vertelt dat Jezus voorafgaand aan het laatste avondmaal de voeten van zijn leerlingen waste. Wij moeten zuiver zijn van geest en lichaam om Hem waardig te ontvangen. Daarom heeft Hij voor ons het sacrament van de biecht nagelaten.

Vandaag gedenken wij ook de instelling van het priesterschap. Het is een goed moment om te bidden voor de paus, de bisschoppen en de priesters en te smeken om veel roepingen. Hoe dichter wij bij deze Jezus zijn, die de eucharistie en het priesterschap heeft ingesteld, hoe beter wij bidden. Laten wij Hem in alle oprechtheid zeggen wat de heilige Jozefmaria vaak tot Hem zei: “Heer, stort in mijn hart de liefde waarmee U wilt dat ik U liefheb.” (De heilige Johannes vertelt dat Jezus voorafgaand aan het laatste avondmaal de voeten van zijn leerlingen waste. Wij moeten zuiver zijn van geest en lichaam om Hem waardig te ontvangen. Daarom heeft Hij voor ons het sacrament van de biecht nagelaten.

Vandaag gedenken wij ook de instelling van het priesterschap. Het is een goed moment om te bidden voor de paus, de bisschoppen en de priesters en te smeken om veel roepingen. Hoe dichter wij bij deze Jezus zijn, die de eucharistie en het priesterschap heeft ingesteld, hoe beter wij bidden. Laten wij Hem in alle oprechtheid zeggen wat de heilige Jozefmaria vaak tot Hem zei: “Heer, stort in mijn hart de liefde waarmee U wilt dat ik U liefheb.” (De Voor, 270).

Bij de gebeurtenissen van vandaag is de maagd Maria niet lichamelijk aanwezig, hoewel zij die dagen in Jeruzalem was. Morgen zullen wij haar vinden aan de voet van het kruis. Maar vandaag vergezelt zij haar Zoon discreet en in stilte van zeer nabij, in een diepe verbondenheid van gebed, offer en zelfgave. Johannes Paulus II wijst erop dat Maria, na de Hemelvaart van onze Heer, vurig deel zou nemen aan de eucharistievieringen van de eerste christenen. De paus voegt eraan toe: “Het lichaam dat voor ons werd overgeleverd en onder sacramentele gedaanten tegenwoordig werd gesteld, was hetzelfde lichaam dat zij in haar schoot had ontvangen! Voor Maria moet het ontvangen van de eucharistie op de een of andere wijze de betekenis gehad hebben van het opnieuw in haar schoot verwelkomen van het hart dat in verbondenheid met het hare geklopt had.“ (Ecclesia de Eucharistia, 55).

Ook nu vergezelt de heilige maagd Maria Christus in alle tabernakels van de wereld. Wij vragen haar om ons te leren hoe wij eucharistische zielen kunnen zijn, mannen en vrouwen met een vast geloof en diepe vroomheid, die zich inspannen om Jezus niet alleen te laten. Mogen wij weten hoe wij Hem moeten aanbidden, vergeving moeten vragen, danken voor zijn zegeningen, gezelschap houden.

***

Goede Vrijdag - Het kruis

Vandaag willen wij bij Christus aan het kruis zijn. Ik herinner me woorden van de heilige Jozefmaria Escrivá op een Goede Vrijdag. Hij nodigde ons uit om de kruisweg persoonlijk, uur na uur, opnieuw te beleven, vanaf Jezus’ doodstrijd in de hof van Olijven, zijn geseling en zijn kroning met de doornenkroon tot aan de dood aan het kruis: “Terwijl zijn almacht door mensenhanden aan banden was gelegd, voerden zij mijn Jezus, temidden van de beledigingen en slagen van het volk, van de ene plaats naar de andere.”

Ieder van ons moet zijn plaats in die menigte innemen, omdat onze zonden de oorzaak waren van de onmetelijke smart die de ziel en het lichaam van onze Heer kwelden. Ja, ieder van ons sleept op zijn beurt Christus voort als voorwerp van bespotting. Door onze zonden zijn wij degenen die om zijn dood schreeuwen. En Hij – volledig God en volledig mens – staat toe dat wij dat doen. De profeet Jesaja heeft het voorspeld: Hij bleef zwijgen ook al werd Hij mishandeld; als een lam dat voor zijn slachter wordt geleid, als een schaap dat zwijgend voor zijn scheerder staat (Jes 53, 7).

Het is terecht dat wij ons voor onze zonden verantwoordelijk voelen. Het is logisch dat wij Jezus dankbaar zijn. Het is vanzelfsprekend dat wij eerherstel zoeken, want ons gebrek aan liefde beantwoordt Hij steeds met onvoorwaardelijke liefde voor ons. Gedurende deze Goede Week lijkt onze Heer dichter bij ons te zijn, als bij zijn broeders en zusters, zijn medemensen. Laten wij nadenken over deze woorden van Johannes Paulus II: “Eenieder die in Jezus gelooft, draagt het kruis in triomf, als een niet te ontkennen bewijs van Gods liefde... Maar wij moeten het geloof in Christus nooit als iets vanzelfsprekends zien. Het mysterie van Pasen, dat wij gedurende de Goede Week opnieuw beleven, is altijd onder ons aanwezig.” (Homilie, 24 maart 2002).

Laten wij in deze Goede Week Jezus vragen dat in ons het bewustzijn toeneemt dat wij echte christenen behoren te zijn, door oog in oog met God te leven, en in Hem met alle mensen.

Wij moeten onze Heer het kruis niet alleen laten dragen. Laten wij de kleine tegenslagen van elke dag met vreugde anvaarden.

God heeft ons het vermogen gegeven om lief te hebben. Laten wij dat gebruiken om concrete voornemens te maken, zonder sentimentalisme. Zeggen wij oprecht to Hem: Heer, nooit meer. Nooit meer! Laten wij in vertrouwen vragen dat wij en alle mensen op aarde inzien dat het nodig is de doodzonde te haten en opzettelijke dagelijkse zonden te verafschuwen, die onze God zoveel lijden kostten.

Hoe groot is de macht van het kruis. Wanneer Christus ten prooi valt aan spot en hoon; wanneer Hij daar hangt zonder verlangen om van die spijkers te worden verlost; wanneer niemand ook nog maar een cent voor zijn leven zou willen geven, ontdekt de goede moordenaar – iemand als wij – de liefde van de stervende Christus, en vraagt om vergeving. Vandaag nog zul je met mij zijn in het paradijs (Lc 23,43). Zie hoe krachtig het lijden is wanneer het in verbondenheid met de Heer wordt aanvaard. Het is in staat om de meest pijnlijke situaties om te vormen in momenten van overwinning en leven. Die man die de stervende Jezus spreekt, krijgt vergeving van zijn zonden en eeuwig geluk.

Wij moeten ook zo handelen. Door ons te bevrijden van de angst voor het kruis en ons met Christus aan het kruis te verenigen, zullen wij de genade, de kracht en de uitwerking van het kruis ontvangen. En wij zullen vervuld worden van vrede.

Aan de voet van het kruis vinden wij Maria, de allertrouwste maagd. Laten wij haar deze Goede Vrijdag vragen dat zij ons haar liefde en moed leent, opdat ook wij weten hoe wij Jezus gezelschap moeten houden. Laten wij tot haar spreken in de woorden van de heilige Jozefmaria, die miljoenen mensen hebben geholpen. Zeg haar: “Mijn moeder – jouw moeder, want jij behoort haar om vele redenen toe – moge uw liefde mij aan het kruis van uw Zoon binden. Laat noch mijn geloof, noch mijn moed, noch mijn durf ooit tekort schieten om de wil van onze Jezus te volbrengen.” (De Weg, 497).

***

Paaszaterdag - Dag van stilte en bezinning

Vandaag is het een dag van stilte voor de Kerk. Het lichaam van Christus ligt in het graf en de Kerk overdenkt met verbazing wat wij onze Heer hebben aangedaan. De Kerk is in stilte om van de Meester te leren bij het zien van zijn verwoest lichaam.

Ieder van ons kan en moet aan deze stilte van de Kerk deelnemen. Bedenkend dat wij voor de dood van Christus verantwoordelijk zijn, moeten wij proberen dat onze hartstochten en opstandige gevoelens – alles wat ons van God afhoudt – stil zwijgen. Dit is geen passief proces. Het is een genade die God ons schenkt wanneer wij, in de aanwezigheid van het dode lichaam van zijn Zoon en vastbesloten om uit ons leven te verbannen wat ons van Hem verwijdert, Hem daarom verzoeken.

Paaszaterdag is geen droevige dag. De Heer heeft de duivel en de zonde overwonnen en binnen enkele uren zal Hij ook, door middel van zijn glorievolle verrijzenis, de dood overwinnen. Hij heeft ons verzoend met de hemelse Vader. Wij zijn nu kinderen van God. Wij moeten ons voornemen dankbaar te zijn in de wetenschap dat wij, wanneer wij door gebed en sacramenten met Jezus verbonden blijven, alle moeilijkheden kunnen overwinnen.

De wereld snakt naar God, hoewel zij zich dat vaak niet realiseert. De mensen verlangen er vurig naar dat iemand hun over de vreugdevolle werkelijkheid van de ontmoeting met de Heer vertelt, en als christenen is dat onze plicht. Laten wij zo moedig zijn als die twee mannen – Nicodemus en Jozef van Arimathea – die zich gedurende het leven van Christus lieten beïnvloeden door menselijke overwegingen, maar die toen het erop aankwam aan Pontius Pilatus durfden vragen of zij het dode lichaam van Jezus mochten begraven. Laten wij ook zo moedig zijn als die heilige vrouwen die, zodra Hij gestorven was, kruiden kochten om zijn lichaam te balsemen, zonder angst voor de soldaten die bij het graf de wacht hielden.

Wanneer iedereen Jezus verlaat, Jezus meent te mogen bespotten, uitlachen en beschimpen, zeggen zij: Geef ons dat lichaam, want het is van ons. Met hoeveel zorg nemen zij het lichaam van het kruis, vol ontzetting naar de wonden starend. Laten wij vergeving vragen met de woorden van de heilige Jozefmaria Escrivá: “Ik zal met hen naar de voet van het kruis gaan. Ik zal met al mijn liefde mijn armen innig om het koude, dode lichaam van Christus slaan. Ik zal Hem, door mijn eerherstel en verstervingen, ontdoen van de spijkers. Ik zal Hem in de nieuwe linnen doek van een rein leven wikkelen. En ik zal Hem in de levende rots ven mijn hart begraven, waar niemand Hem mij zal kunnen ontroven. En daar Heer, moge u uitrusten!” (De Kruisweg, veertiende statie, 1).

Wij kunnen begrijpen waarom zij het dode lichaam van de Zoon in de armen van zijn Moeder wilden leggen alvorens het te begraven. Alleen Maria kon tegen Hem zeggen dat zij zijn liefde voor de mensheid volledig begreep, want alleen zij was geen oorzaak van die smarten. De allerzuiverste maagd pleit voor ons; maar zij doet dat om ons uit onze onverschilligheid te halen, opdat wij haar smart, die een geheel vormt met de smart van Christus, kunnen ervaren.

Laten wij ons voornemen ons te bekeren en apostolaat te doen; ons steeds meer met Christus te vereenzelvigen, ons om de mensen te bekommeren. Laten wij de Heer vragen dat Hij de heilzame uitwerking van zijn lijden en dood op ons overbrengt. Wij moeten onze verantwoordelijkheid als christenen ontdekken. De mensen om ons heen wachten dat wij hen vertellen over het wonder van de ontmoeting met God. Deze Goede Week – en elke dag daarna – moet voor ons een sprong voorwaarts betekenen, een definitieve keuze voor de Heer. Wij moeten het nieuwe leven, dat Jezus door middel van zijn verlossing heeft verkregen, aan alle mensen verkondigen.

Wij gaan naar Maria, maagd van de eenzaamheid, moeder van God en onze moeder, “opdat zij ons helpt begrijpen – zoals de heilige Jozefmaria schrijft – dat wij ons leven moeten omvormen tot het leven en de dood van Christus.Wij moeten van het leven en sterven van Christus ons eigen leven maken. Sterven door middel van versterving en boete, opdat Christus in ons kan leven door de Liefde. En dan de stappen van Christus volgen, met het grote verlangen om alle zielen mede te verlossen. Het leven voor de anderen geven. Slechts op deze manier kunnen wij het leven van Jezus Christus navolgen en één worden met Hem.” (De Kruisweg, veertiende statie).

***

Paaszondag - Jezus heeft de dood overwonnen Toen de sabbat voorbij was, kochten Maria Magdalena, Maria de moeder van Jacobus en Salome kruiden waarmee ze naar het graf zouden gaan om het lichaam van Jezus te balsemen. Heel vroeg, na de zonsopgang van de eerste dag van de week, gingen zij naar het graf (Mc 16,1-2). Zo begint de heilige Marcus zijn verslag over wat er die morgen, tweeduizend jaar geleden op het eerste christelijke paasfeest, gebeurde.

Jezus was begraven. In elk menselijk opzicht waren zijn leven en zijn boodschap geëindigd in een totale mislukking. Zijn leerlingen, bang en verward, hadden zich verspreid. Zelfs de vrouwen, die op weg zijn om een liefdevolle dienst te bewijzen, vragen elkaar, Wie zal de steen voor de ingang van het graf voor ons weghalen? (Lc 16,4). “Desalniettemin,” merkt de heilige Jozefmaria Escrivá op, “gingen zij verder. Jij en ik, hoe gaan wij om met onzekerheden? Hebben wij de heilige vastberadenheid van deze vrouwen, of moeten wij erkennen dat wij ons beschaamd voelen wanneer wij geconfronteerd worden met hun vastbeslotenheid, stoutmoedigheid en durf?” Het kan soms erg moeilijk lijken om de wil van God te vervullen, trouw te zijn aan de wet van Christus en ons geloof consequent te beleven. Er kunnen zich hindernissen voordoen die onneembaar lijken. Maar in werkelijkheid zijn ze dat niet. God overwint altijd.

Het verhaal van Jezus van Nazareth eindigt niet met zijn smadelijke dood aan het kruis. Zijn glorievolle verrijzenis heeft het laatste woord. Bij het doopsel zijn wij, christenen, gestorven en met Christus verrezen – dood voor de zonde, en levend voor God. “O Christus”, kunnen wij met de heilige vader Johannes Paulus II zeggen, “hoe zou U ons de genade van de onuitsprekelijke gave, die U ons deze nacht heeft geschonken, kunnen ontzeggen! Het mysterie van uw dood en verrijzenis vloeit in het doopwater om de oude, aardse mens te zuiveren en hem zijn jeugd terug te geven.” (Homilie, 15 april 2001).

Vandaag roept de Kerk vol vreugde uit: Dit is de dag die de Heer heeft gemaakt; laten wij ons verheugen en blij zijn! Deze vreugdekreet zal gedurende de vijftig dagen van de paastijd blijven klinken, als echo op de woorden van de heilige Paulus: Nu je met Christus verrezen bent, moet je op zoek gaan naar de dingen van boven waar Christus zit aan de rechterhand van God. Richt je hart op hemelse en niet op aardse zaken, want je bent gestorven en je leven is met Christus verborgen in God (Kol 3,1-4).

Het is logisch te denken , zoals de overlevering van de Kerk dat doet, dat de verrezen Christus in de eerste plaats aan zijn allerheiligste Moeder is verschenen. Het feit dat het Evangelie haar niet noemt onder de heilige vrouwen suggereert dat Maria Jezus al ontmoet heeft. “Deze veronderstelling wordt ook bevestigd,” voegt paus Johannes Paulus II eraan toe, “door het feit dat Jezus wilde dat de eerste getuigen van de verrijzenis de vrouwen zouden zijn die trouw gebleven waren aan de voet van het kruis en daardoor standvastiger in hun geloof waren.” (Audiëntie, 21 mei 1997). Alleen Maria had gedurende die bittere uren van het lijden haar geloof volledig behouden. Daarom is het logisch dat de Heer als eerste aan haar verschenen is.

Wij moeten altijd dicht bij Maria blijven, vooral in de paastijd; de betekenis van de paastijd van haar leren. Vol verlangen heeft zij op de verrijzenis gewacht. Zij wist dat Jezus was gekomen om de wereld te redden, en daarom om te lijden en te sterven. Maar zij wist ook dat de dood niet over Hem kon heersen, want Hij is het leven.

Een goede manier om Pasen te beleven is anderen te laten deelnemen aan het leven van Christus door het nieuwe gebod van de naastenliefde dat de Heer ons in de nacht voor zijn lijden gegeven heeft in praktijk te brengen: Daaraan zal iedereen kunnen zien dat jullie leerlingen van Mij zijn: als jullie onder elkaar de liefde bewaren. De verrezen Christus herhaalt deze boodschap tot ieder van ons. Hij zegt: “Hebt elkander werkelijk lief; probeer elke dag om anderen tot in de kleinste details ten dienste te staan, om daarmee het leven van je medemens aangenamer te maken.”

Laten wij nogmaals Jezus met zijn allerheiligste moeder opzoeken. Wij kunnen denken aan de vreugde van Maria wanneer zij zag dat de allerheiligste Mensheid – vlees van haar vlees, leven van haar leven – verheerlijkt was. Wij vragen haar dat zij ons leert ons leven in dienst van de anderen te stellen, zonder dat zij het merken, zonder dankbaarheid te verwachten, in de hoop dat de wijze waarop wij het leven van God in ons dragen en aan anderen doorgeven, onopgemerkt blijft. Laten wij ons vandaag richten tot de Koningin des Hemels, Regina Coeli, de eigenlijke groet voor de paastijd: Koningin des Hemels, verheugt u, alleluia! Omdat Hij die gij waardig geweest zijt te dragen, alleluia! Verrezen is zoals Hij gezegd heeft, alleluia! Bid God voor ons, alleluia! Verheug en verblijd u, maagd Maria, alleluia! Want de Heer is waarlijk verrezen, alleluia!

***