H Jozefmaria Dagelijkse teksten

“Jullie zullen een steun zijn voor elkaar”

Als je in staat bent van anderen te houden en je deze genegenheid - die wortelt in de fijngevoelige liefde van Christus - onder allen verbreidt, zullen jullie een steun zijn voor elkaar. En mocht iemand dreigen te vallen, dan zal hij zich door die broederlijkheid gesteund en aangespoord voelen om trouw te zijn aan God. (De Smidse, 148)

Eindelijk komt de volheid der tijden. Maar om die volheid te verwezenlijken verschijnt er geen filosofisch genie zoals Plato of Socrates. En er verschijnt ook geen machtige wereldveroveraar als Alexander de Grote. Er verschijnt een Kind, in Betlehem geboren. Het is de Verlosser van de wereld. Maar voordat het spreekt, bemint het door de daad. Het Kind brengt geen toverformule mee, want het weet dat de verlossing, die het aanbiedt, slechts kan worden voltrokken in de harten van de mensen. Eerst zien wij niets anders dan het lachen en schreien van een kind, dan de weerloze slaap van de vleesgeworden God. Dat gebeurt opdat wij in liefde ontbranden en het Kind zonder schroom in onze armen nemen.

Opnieuw beseffen wij dat dit het christendom is. Als de christen niet bemint door zijn werken, dan is hij als christen en dus ook als mens mislukt. In uw denken mogen de anderen geen nummers zijn, of middelen om hogerop te komen. Ook geen massa die opgehemeld of vernederd, gevleid of veracht wordt, naar gelang het u beter uitkomt. In uw denken moeten de anderen (maar vooral die uit uw directe omgeving) kinderen God zijn, uitgerust met de waardigheid die deze verheven titel met zich meebrengt.

We dienen ons tegen elkaar te gedragen als kinderen van God met de kinderen van God: met een offervaardige liefde, die elke dag blijkt uit talloze kleine bewijzen van medeleven, stille offervaardigheid, discrete overgave, van zich zelf. Dat is de bonus odor Christi, die de medemensen over onze eerste broeders in het geloof deed opmerken: Ziet, hoe zij elkaar liefhebben! (Tertullianus, Apologeticus, 39 [PL 32 ]). (Als Christus nu langs komt, 36).