H Jozefmaria Dagelijkse teksten

“Van elkaar houden, elkaar helpen”

Met veel aandrang predikte de apostel Johannes het mandatum novum, het nieuwe gebod: “Hebt elkaar lief!” Ik zou jullie op de knieën willen smeken - zonder theater, want het komt recht uit mijn hart - om uit liefde tot God van elkaar te houden, elkaar te helpen, elkaar de hand te reiken, elkaar te vergeven. Geef daarom geen ruimte aan de hoogmoed! Heb begrip voor elkaar, verzorg de naastenliefde, help elkaar met gebed en oprechte vriendschap. (De Smidse, 454)

Alleen al omdat zijn zoon, na hem in de steek gelaten te hebben, terugkomt, bereidt hij een feest; waarmee zal Hij ons dan wel niet verblijden, als wij zorgen altijd aan zijn zijde te verkeren?

Laten we dus vooral niet blijven denken aan de beledigingen die we moesten incasseren, aan de vernederingen die we ondergaan hebben —hoe onterecht, onheus en onbehouwen ook— het past niet bij een kind van God een boekhouding bij te houden om een staat van beledigingen te kunnen tonen. Wij kunnen het voorbeeld van Christus niet vergeten, noch ons katholieke geloof uittrekken als een jas: het kan zwakker of sterker worden, of verloren raken. Met een dergelijk bovennatuurlijk leven wordt het geloof verstevigd, maar de ziel schrikt bij het zien van de ellendige menselijke naaktheid zonder het goddelijke. Dus vraagt zij vergeving en betoont haar dankbaarheid: God, als ik mijn povere leven beschouw, vind ik niets om me op te beroemen en nog minder om trots op te zijn. Ik zie alleen maar redenen om altijd nederig en boetvaardig te leven. Ik weet heel goed, dat de grootste adeldom bestaat uit dienen.

Ik sta op en doorkruis de stad, zoek op pleinen en in straten naar mijn zielsbeminde... (Hoogl 3, 2). En niet alleen de stad: ik zal me van het ene eind van de wereld naar het andere haasten —naar alle naties, alle volken; over paden en binnenwegen— om vrede te vinden voor mijn ziel. En die zal ik vinden in de dagelijkse bezigheden, die me daarbij volstrekt niet in de weg staan. Zij zijn juist het slingerpad van de steeds grotere liefde tot God, de drijfveer Hem meer en meer te beminnen, mij meer en meer met Hem te verenigen. (Vrienden van God, 309-310)